Gard Vermeulen schrijft ons van uit Guatemala (deel 2)

Spanjaarden zetten het land naar hun hand?

De voorbije week hebben we met het reisgezelschap doorgebracht in verschillende koloniale steden van Guatemala.

Nadat de Spaanse veroveraars de Indiaanse steden en volkeren hadden onderworpen, begonnen ze een eigen regering op te zetten. De eerste hoofdstad plaatsten ze in een bestaande stad, in Iximche, waar de bevolking hen verwelkomd had. Want de nieuwelingen hadden de bewoners bevrijd van de oude onderdrukkers. Toen twintig jaar later de soldij van de soldaten vertraging opliep uit Spanje, plunderden ze wat waarde had en staken ze alles in de fik wat kon branden.

De gouverneur met een harde kern van vertrouwelingen was al gevlucht en begon een andere hoofdstad aan de voet van een uitgedoofde vulkaan. Na een lange regenperiode stond de oude kratermond boven hen vol water. Een barst in de wand bezegelde het lot van de stad aan de voet: de vloed overspoelde huizen, straten en andere gebouwen. De ‘vuurspuwende’ berg is nog steeds best gekend met zijn spotnaam: de ‘watervulkaan’.

Derde keer, goede keer? De hoofdstad werd een tiental kilometer verder opnieuw begonnen. Prachtige gebouwen, rijke burgers, machtige kloosterordes, … tot de grote aardbeving van 1773 de stad achterliet in gruizels. De parochiepriesters en de eenvoudige paters en zusters wilden bij hun dakloze medemensen blijven en ze startten de herstellingswerken. Maar de politiek besliste de stad nogmaals te verplaatsen, dit keer naar de huidige Guatemala-stad. De vorige kreeg de naam ‘Antigua, de Oude’.

De bisschop en de kloosteroversten wilden dicht bij de macht blijven. Ze raapten alles bij mekaar wat los stond in hun ingestorte kerken en wat niet te zwaar woog, brachten het naar de nieuwe plaats en stoffeerden er de nieuwe gebedsplaatsen mee. In Antigua zijn 250 jaar later nog de sporen te merken van de katastrofe. Van de vroegere kathedraal bleef alleen de façade rechtstaan en de eerste travee, tot aan de achterste pilaren. Dat deel wordt vandaag als mini-kathedraal gebruikt. Ze zit op zondagmorgen overvol. Opdat iedereen de priester aan het altaar zou kunnen zien, staan in alle hoekjes en kanten TV-schermen opgesteld terwijl een vrijwilliger met de camera de priester probeert te volgen. Tijdens zijn preek tast zijn stem alle toonaarden af, zwaaien zijn armen in duizend richtingen en dansen zijn voeten van links naar rechts. Het is behelpen in die kleine ruimte, terwijl de restanten van de vijf beuken buiten een indrukwekkend beeld laten van wat ooit was.

 

De paters en later de zusters die door de Spaanse koning en de paus uitgestuurd waren om de heidenen (of de ‘wilden’?) te bekeren, hadden dadelijk oppervlakkig succes. Vaak trad men toe tot de kerk om zijn broodheer te plezieren. Tot vandaag noemt meer dan tachtig procent van de Guatemalteken zich christen, in overgrote meerderheid katholieken al zijn er ook heel wat protestantse kerken aanwezig, ondersteund door rijke giften uit de Verenigde Staten. De diepte en de scherpte van het christelijk geloof drongen niet altijd door in de zielen van de eenvoudige mensen. Zij baden tot een of andere heilige om een gunst te verkrijgen en klutsten hem samen met de Indiaanse God die hun voorheen dezelfde dienst bewezen had.

Zo vind ik in de kerk van Santiago de Atitlán een heilige Judas, jawel Iskarioth die Jezus verraden heeft. Wat verder in het dorp, in een kleine achteraf-kamer begint een ceremonie bij het beeld van Sint Simon (In het Spaans Santo Simon) verbasterd tot Maximóm. De gebedsleider begint met een kruisteken. Naast hem zit een architect-aannemer die graag de opdracht zou krijgen voor een groot project. Terwijl de voorganger dit met luide stem uitlegt aan het beeld, steken de helpers regelmatig de sigaret aan in de mond van de heilige. Hij is immers een verstokt roker, zoals een heer van stand past. Bij zijn stand horen ook de talrijke dassen rond zijn hals. Bij een vorig bezoek heb ik voor de ‘heilige’ een flesje brandewijn gekocht. Toen werd de heilige achterover gekanteld en de drank liep in zijn keelholte. Wat ik wist, maar niet kon zien: een plastiek buisje leidt de drank naar een fles in het binnenste van het beeld. Een half uur later ontmoette ik de helper weer op de trappen van de kerk, stapeldronken. Nu blijft de sjamaan de man naast zich ondervragen, veel wierook in de ruimte zwieren, nog meer kaarsjes aansteken en tenslotte namens de smeker een deel van de mogelijke winst aanbieden aan de machtige ‘heilige’. Uiteindelijk wordt de dienst beëindigd met een Pater Noster. Hoestend van de smoor en vol vraagtekens van ongeloof stappen we naar buiten.

Rond het jaar 1800 waren er al veel blanke en halfbloeden geboren op het nieuwe kontinent. Er waren degelijke scholen voor de opleiding, ze hadden goed zaken gedaan en waren min of meer rijk geworden. Maar de macht en de beslissingen kwamen nog steeds uit Spanje waar ambtenaren en ministers beslisten wat er ginds ver moest gebeuren, zonder dat ze ooit de streek bezocht hadden noch de gebruiken of de situaties kenden. Ongenoegen groeide in het nieuwe werelddeel tot onrust, nam toe tot rebellie en vestigde tenslotte met vallen en opstaan de eigen zelfstandigheid. Dat leidde dikwijls tot nieuwe afhankelijkheid van de Verenigde Staten, van Engeland, Frankrijk of Oostenrijk. Die hadden immers grote belangen te verdedigen tegen het armtierig Spanje.

Uiteindelijk kwam er dan zelfbestuur. De nieuwe machthebbers vergaten onmiddellijk alle beloften voor democratie en gelijkberechtiging. Bijna elke president groeide uit tot dictator, werd schatrijk tot hij werd afgezet door een of andere generaal en het rondje kon opnieuw beginnen. Deze ziekte is nog niet helemaal uitgeroeid in Zuid- en Midden-Amerika.

Ach, ach, ik besef dat ik nog niets gezegd heb over het Maya-volk. Ik probeer daar over enkele dagen nog iets aan te doen. Geniet ondertussen van je dagen.

 

Gard