Gard Vermeulen schrijft ons: Christenen in Ethiopië

Christenen vormen de meerderheid in Ethiopië naast moslims en verschillende animistische stammen in het zuiden.

Ik vertelde vorige week al hoe de koningin van Sheba, volgens de legende, een zoon Menelik kreeg na haar bezoek aan koning Salomon van de joden. Toen de jongeman een sterke tiener werd, keerde hij terug naar zijn vader om opgeleid te worden voor het koningschap. Als hij daarmee klaar was, ontving hij bij zijn terugtocht een geschenk: de Ark van het Verbond, waarin de joden de twee stenen tafelen bewaarden met de tien geboden. Het was tegelijk het tabernakel waarin God woonde tussen zijn volk.

Menelik I regeerde in Aksum over Ethiopië rond het jaar 200 vóór Christus. Het land strekte zich ook uit over Sheba (nu Yemen), Nubië (nu Soedan) en Zuid Arabië. Wellicht leefde er toen al een joodse kolonie in dit land. Zeshonderd jaar later bekeerde de koning van toen zich tot het christendom en verwachtte dat het volk zich ook zou bekeren. Hij bouwde voor de Ark een kerk in Aksum. Men vertelt dat de oorspronkelijke Ark er nog altijd bewaard wordt, maar door niemand mag gezien worden, zelfs niet door priesters en bisschoppen. Alleen een oude monnik heeft de enige sleutel van de kerk.

Elke kerk in dit land is gebouwd naar het voorbeeld van de eerste tempel van Jeruzalem, de tempel van koning Salomon. Ze heeft een voorhof waar iedereen is toegelaten en waar de muziek en de zang plaats heeft. Dan is er een gedeelte voor de gelovigen, waar ze de communie ontvangen en tenslotte het Heilige der Heiligen, waar alleen priesters en diakens toegang hebben. Elke kerk heeft ook een kopie van de Ark in het derde deel. U ziet, deze christenen, het zijn sinds de grote scheuring van de elfde eeuw orthodoxen, hebben veel meer belangstelling voor het oude Testament, dan wij Roomse katholieken. Verder gebruiken ze vaak legendes en verhalen en zeer veel symbolen. Overal waar iets in drievoud voorkomt verwijzen ze naar de H. Drie-eenheid, waar tien voorkomt zijn het de tien geboden, waar twaalf opvalt zijn het de apostelen, waar twee voorkomt is dit het teken van het oude en het nieuwe Testament. Een voorbeeld? Muziek wordt gemaakt met een trom met twee vellen. Het kleine vel staat voor het Oude Testament, het grote voor het Nieuwe. Daarnaast gebruikt men een sistra, waar belletjes gespannen zijn op drie rijen tussen twee zijplaatjes. De drie draden staan voor de Drievuldigheid, de zijlamellen zijn de ladder van Jacob tussen hemel en aarde, zoals de muziek zelf.

Enkele dagen geleden was ik op het feest van Maria van Sion in Aksum. Dit is een zeer groot feest en zowat een half miljoen mensen komen er op af. Op de vooravond heb ik meegestapt in de kaarsjesprocessie. Eerlijk gezegd, ik heb meer gefotografeerd dan gebeden. Twee kaarsjes gekocht (ze worden per paar verkocht) en dan geprobeerd om mezelf tussen de massa in de processie te wurmen. Het is drummen en duwen van jewelste. Die processie gebeurt in het voorhof rond de nieuwe kerk. Op het gras zitten en liggen opeengepakt, de bedevaarders die zich klaar maken om hier de nacht door te brengen met zang, dans en gebed. Ondertussen galmt er door de luidsprekers een ellenlange preek. De processie loopt rond de achthoekige kerk, ongeveer de grootte van de Basiliek in Scherpenheuvel. Ik geef mijn kaarsjes aan twee van de pelgrims in de hoop dat ze voor mij bidden. Elke keer is een glimlach mijn beloning. Zelf schuifel ik verder mee met de stoet, maar het duurt drie kwartier om eenmaal rond te raken.

 

’s Anderendaags in de voormiddag is er weer een optocht. Ik ga staan aan het eindpunt, dicht bij de aartsbisschop-emeritus. Terwijl we wachten zingen twee rijen diakens psalmen en teksten uit de bijbel in een eenvoudig en traag ritme. Ze zijn mooi uitgedost (zie maar naar de foto), wiegen zachtjes heen en weer, veranderen van plaats.

De TV maakt opnamen, bezoekers en fotografen lopen door elkaar, alles heel feestelijk en vol verwachting. Maar voor mij dringt de tijd en ik moet weg vóór de apotheose.

De bezoeken van gisteren brachten me in een andere tijd en in een andere plaats. Toen het koninkrijk van Aksum instortte rond het jaar duizend, duurde het even vooraleer er een nieuwe machtige dynastie van de Zygwe opkwam en haar hoofdstad meer naar het zuiden bracht. Op Kerstmis 1101 (Ethiopische tijd, ongeveer 1108 West-Europese tijd) werd Lalibela geboren, de troonopvolger. In zijn jonge jaren bleek hij een verwoed reiziger: Hij bezocht het H. Land dat toen reeds een twistappel was tussen kruisvaarders en moslims. Hij trok ook door Libanon, Syrië en Griekenland. Toen hij 56 was, werd hij koning. Om de gevaarlijke reis naar Israël voor zijn gelovigen te besparen, bouwde hij een nieuw Jeruzalem. Hij liet uit de rotsen in totaal elf kerken houwen in de plaats die nu naar hem Lalibela heet. Ik heb gisteren tien ervan bezocht, in een hobbelig en bergachtig terrein. Best vermoeiend, maar ook zeer boeiend.

De meest bekende kerk van het stel is de Sint-Joriskerk. Het was zijn laatste bouwwerk, tegelijk het meest opvallende waarvan de foto in elke reisbrochure staat. En die ik ook met dit verhaal meestuur.

Er hangt ook een symbool en een verhaal aan vast. Eerst het symbool.

De wereld werd tweemaal van de ondergang gered: een eerste keer door Noach met zijn ark vol dieren en een tweede maal door Christus die op het kruis stierf. De kerk is uiterlijk gebouwd in de vorm van een kruis, maar draagt ook eigenschappen van de ark in zich. Drie lagen waarvan de onderste voor de zware dieren zonder openingen naar buiten, de tweede voor de kleine dieren en de derde voor de familie voorzien van twaalf ramen, versierd met de olijftak die de duif terugbracht als er weer land bloot kwam na de zondvloed. Enzovoort.

In de twaalfde eeuw werd weer een kruisvaart georganiseerd om Jeruzalem te bevrijden van de moslims en de paus vroeg aan Lalibela om met zijn leger deel te nemen. Lalibela antwoordde in een brief “Ik zie geen verschil tussen u en de ongelovigen.” Dit wordt geschreven ongeveer honderd jaar na de grote scheuring in de kerk tussen Roomsen en Orthodoxen. Saladin, de moslimheerser over Jeruzalem, is dankbaar omdat Ethiopië hem niet kwam bevechten en in zijn dankbrief aan Lalibela belooft hij hem het echte kruis te schenken waaraan Christus is gestorven en dat in Jeruzalem bewaard werd.

In zijn dankbrief antwoordt Lalibela dat hij bezig is een waardige kerk klaar te maken (dat is de Sint-Joris) maar dat hij zelf te oud is om de reis te maken. Hij is dan reeds vooraan in de negentig. Een opvolger met een kopie van deze brief zal later het kruis komen ophalen. Maar zijn neven en zijn zoon die hem opvolgen, hebben wel andere katten te geselen, want de dynastie wankelt. Als enkele decennia later de opvolger toch het kruis gaat ophalen is het in handen van andere christenen en die zeggen dat Ethiopië niet het ganse christendom vertegenwoordigt en hij krijgt slechts het deel waar de rechterarm van Christus ooit hing. Dit deel wordt nu bewaard in een andere kerk, een bedevaartplaats honderd kilometer hier vandaan. Lalibela overlijdt als hij 95 is en de plaats waar hij de kerken bouwde is nu naar hem genoemd.

Een goede raad: beoordeel dit verhaal en de data niet met westerse precisie, maar met een geest van sages en sprookjes. Ze zijn zo mooi, nietwaar!

Morgen verlaat ik het bergland en daal af naar de hooglanden (600 meter boven zee) van het zuiden, met eerst nog een tussenstap naar het oosten, het deel waar vooral moslims wonen. Ik vertel je later wel hoe het mij dan vergaat.

Groeten uit dit warme land.

 

Gard.