Gard Vermeulen schrijft ons van uit Ethiopië: Mensen op de rand

Nadat ik je het vorige verhaal stuurde, ontmoette ik in Lalibeli Wubshet, de oudste in een boerenfamilie van zeven kinderen. In zijn jonge jaren was er in het dorp geen lagere school. Zijn vader was een hevige fan van Mengistu, de communistische heerser van die tijd. Daarenboven wilde hij dat al zijn kinderen in de landbouw zouden terecht komen. Maar de broer van zijn moeder, leerde de kleine lezen en schrijven. Even terzijde: het Ethiopisch alfabet telt 36 letters, maar om in de moderne wereld te kunnen schrijven of met smartphone en computer te werken, moet je ook de 26 letters van ons ABC kennen en vlot kunnen gebruiken.

Die oom bracht de jongeman later in contact met de grote Duitse filosofen: Hegel, Kant, Heidegger, en zo meer. Zijn petekind zou geen arme boer-schooier worden! Net voor zijn achttiende verjaardag verliet Wubshet het huis en trok naar de stad, Lalibela. In negen jaar voltooide hij de twaalf studiejaren van lager en middelbaar onderwijs en is nu op zijn zevenentwintigste in zijn toelatingsexamen voor de universiteit geslaagd. Hij wil burgerlijke bouwkunde studeren (om de kost te verdienen) en kunsten (want hij musiceert graag en schrijft gedichten.) In die tijd is hij ook zijn geloof verloren, zegt hij, vanwege de holle woorden en de triestige levenswijze van de orthodoxe priesters. Ik vermoed dat ook de filosofen hebben meegespeeld en het anonieme leven in de stad.

Ik ben op zijn huurkamer geweest: een gedeukte matras op de grond met een paar lappendekens er overheen, daarnaast een stapeltje boeken en schrijfpapier en in een andere hoek een hoopje kleren. Al de rest is buiten te doen. Hoe komt hij aan zijn kost- en studiegeld? Met klusjes en schoenen poetsen, zegt hij. Dat kan toch niet voldoende zijn! Tot mijn verbazing vraagt hij mij geen geld of boeken. De uitzondering tussen alle bedelaars hier.

Als ik twee dagen later naar Dessie rijd, beland ik bijna van het ene ogenblik op het andere van de groene Lasta bergen in een steen- en zandwoestijn. Het landschap lijkt bijna zo vlak als een biljarttafel en het is hier en daar gekleed met groene doornbomen en acacia, verderop met enkele droge parasolbomen en voor de rest ligt de grond er zo goed als naakt bij.

Dit is het land van het Afarvolk. Hoe zij aan de kost komen? Ik weet het echt niet. Zij zijn half-nomaden en ik zie soms een karavaan kamelen voorbij wiegen. Vroeger brachten zij zo goederen van de ene einder naar de andere, maar nu daveren zwaar beladen camions over de hoofdweg van Djibouti naar Addis Abeba. Verder tel ik wat geiten, maar of ze van het vlees kunnen leven? Dan loopt hier en daar nog een ezel rond. Langs de weg liggen er honderden witte plastieken zakken gevuld met houtskool. De Afar hakken de weinige struiken om, laten ze in een gedekte oven tot houtskool verkolen en verkopen die aan passanten en stadsmensen.

Uit noodzaak dragen alle mannen een mes en velen hebben het aangevuld met een kalasjnikov. Het harde gevecht voor het leven heeft hen eerder nurks en bonkig gemaakt. De vrouwen trekken zich schuw terug naar Arabische en moslimgewoonten. Ik kan uiteraard niet controleren dat meer dan negentig procent van de meisjes besneden worden, al is er nu een campagne op gang gekomen om dit gebruik te bannen.

Met een vriendelijk praatje kom je ver. De Engelse woorden tellen nauwelijks, de gebaren zijn veel belangrijker. Vele vrouwen en enkele mannen weigeren een foto te laten maken. Maar anderen zijn fier en dringen er op aan. Zij willen hun beeld zien en tonen het fier aan hun buren. Met velen dringen ze dichtbij, rukken haast de camera uit mijn handen. Ik blijf alert, schud wat met mijn hoofd, tover een glimlach op mijn lippen, wapper wat met mijn handen en leg een arm om een schouder, laat me ook fotograferen. Want een incident is gauw gebeurd, zij zijn met velen en hebben messen of geweren.

Een keer per jaar vergaderen ze en dan groeit het plaatsje tot honderden of duizenden familiehutten, als een groot uitgevallen struisvogelei maat XXXL zo ovaal. Met zo’n massa samen is drinkwater een probleem. Daarom bouwt de regering een hoge watertoren. Wanneer hij zal klaar zijn, is niet bekend. Ondertussen zeulen vrouwen of ezels met tien-literkannen naar en vooral van de bron mijlenver naar de woonkrot.

Op weg naar Harar in het oosten rijd ik plots weer tussen groen-belegde bergen en terrasteelten in de vruchtbare valleien. Maar de huizen blijven lemen hutten en de bewoners lopen er sjofel bij. Armoezaaiers lijken het, op het randje van het leven. Kinderen en jongelui tieren hier in overvloed, maar waar moeten zij een beter bestaan vinden? Er is nauwelijks een uitweg uit de landbouw op altijd maar kleinere percelen.
Tot ik wat later overal op de hellingen cat-struiken zie groeien. Dat is groot geldgewin, een uitweg uit armoede voor de boeren. Want cat is de extasy van de natuur. Het geeft de kauwer een vrolijk gevoel en meer energie. De chauffeurs op het langeafstandstransport gebruiken het ook: voor meer vreugde, meer werkuren en meer loon. Helaas is het ook de verdoken oorzaak van vele vreselijke verkeersongelukken. Vandaag heb ik vijf zware accidenten opgemerkt, verse en oudere: een vrachtwagen tegen een bus met verwoeste stuurcabines, een camion boven op een huis, een camionette over kop in de diepte, twee uitgebrande bussen langs de weg. De wrakken blijven liggen. De doden en de gewonden zijn verdwenen, maar niet vergeten door hun families.
Bij het naderen van de stad, kruipt de bus door het drukke verkeer. De oploop is te ‘danken’ aan de cat-markt. Hier worden zo te zien, tonnen per dag verkocht. Ongegeneerd zeulen kerels met armsvolle bussels door de straat. Hier en daar gilt er iemand dat ik niet moet fotograferen. Al is de sfeer rumoerig, er gebeurt niets, behalve wat gehaspel tussen twee kruiers. Deze harddrug is niet verboden in Ethiopië. De handelaars worden rijk, de gebruikers worden verslaafden. Zij verwaarlozen en verliezen hun werk. Ze geraken vrienden en collega’s kwijt die hen niet meer herkennen. Hun families vallen in een put van armoede en sluiten de sukkel buiten. Hij komt terecht in de goot van de maatschappij.
Als ik alleen door de stad trek, hurken op de stoepen van de hoofdstraat talloze verkoopsters van snuisterijen, fruit, groenten en van cat. Een dagportie kost ongeveer 300 Birr (10 €) en het gemiddeld dagloon in dit land is 100 tot 200 Birr. Hoe doen ze het? Elke vijf meter zit of ligt wel een of enkele verslaafden de verse blaadjes van de stengels te plukken of, slechtere kwaliteit, op de houten takjes te kauwen, uitbundig vrolijk te zijn, te soezen of te slapen. Soms lijken ze wel dood. Bij de trosjes verkoopsters zitten ook de helft aan het spul.

Ik keer weer naar het hotel. Ik heb er genoeg van uitgestoken handen te zien en ‘pen’, ‘money’ of ‘T-shirt’ te horen. Veelal van verarmde verslaafde schobbejakken. Andere keren wellicht van mensen die ongewild aan de zelfkant van de maatschappij terecht kwamen. Ik heb er genoeg van heel de tijd ‘farangi’ (vreemdeling) te horen. Soms is het een begroeting van-men-weet-niet beter, vaker is het een scheldwoord of dreigende taal. Ik krijg diep in mij het gevoel hier ongewenst te zijn zoals vreemdelingen bij ons. Meer dan ooit wens ik dat vluchtelingen en migranten bij ons vriendelijker ontvangen worden.

Met Chacha stap ik ’s morgens door hetzelfde Harar. Eerst door de tweedehands markt. Op de stoep en er naast liggen bergen kleedjes en broeken, vooral voor de kleintjes. Het is er wringen de drummen. Dan weer me opzij persen om een kruier door te laten die een nieuwe voorraad aanbrengt. De winkeltjes zijn volgepropt met afvalplastiek of metaal. Ook met geherwaardeerde wisselstukken van auto’s en fietsen. Een kat zou er haar eigen jongen niet in terug vinden maar de uitbaters weten elk gewenste stuk liggen in die onoverzichtelijke hoop. Vooral onderdelen van de oeroude Peugeot 404 zijn gezocht. De tientallen exemplaren die nog rijden zijn ooit ingevoerd uit Djibouti, toen nog een Franse kolonie. Ze worden nu met touw, spuug en vindingrijkheid aan elkaar gehouden en dienen als plaatselijke taxi. Daarna struin ik door de kruidenmarkt. Ik versta de uitleg die Chacha geeft, maar ik onthoud het niet. Hij toont de verschillende granen en zaden. Ik kan zijn woorden en mijn foto’s niet meer bij mekaar brengen. Maar wat geeft het, het is een feest van kleuren!

Vannacht is een onweersbui over Arbaminch getrokken. Een uur lang is de regen met bakken uit de hemel gevallen. En dat in het droge seizoen! Ook hier laat de wereldwijde klimaatverandering zich voelen.

Ondertussen is de reis al een stuk naar het zuiden opgeschoven. Morgen gaat het nog verder tussen verschillende kleinere volken met elk eigen levensgewoonten en gebruiken. Ik kijk er naar uit.

Ik toon je hierbij nog een foto van de Afar-hutten en van de catmarkt dicht bij Harar.

Tot binnenkort.

Gard