Gard Vermeulen schreef ons van uit Ethiopië: Mensen in het verleden

’s Anderendaags bezocht ik het Karovolk. Naar schatting leven er maar 1500 meer van in drie dorpen. Twee tot drie keer Korbeek-Dijle in het klein. Hun aantal is enkele tientallen jaren geleden sterk achteruit gegaan toen hun vee door een epidemie is gestorven. Nu leven ze van vissen (Ze worden smalend de viseters genoemd) en van toerisme. Naar aloude gewoonten schilderen ze bij grote feesten hun lichaam in witte, of rode klei en zwarte houtskool. Vermits er in het droge seizoen vrijwel elke dag toeristen toekomen, vieren ze elke dag feest. Voor elke foto moet er wel 5 Birr (0,15 €) per persoon op de foto betaald worden. Ze dringen zich op, komen schooien om op de foto te mogen, ze tellen na en schrapen de briefjes bij elkaar. Het is natuurlijk geënsceneerd, maar het levert mooie foto’s op. Ook de Karo hebben een stierensprong, maar slechts een keer per jaar en voor vele jongelui tegelijk. Dan zijn er geen toeristen, want dan is het regenseizoen.

Gisteren, onderweg hierheen, kwam ik terecht bij een Doschenegefamilie. Voor een groot deel was dit bezoek vergelijkbaar met wat hierboven over de Abamaboer geschreven staat. Ditmaal ‘slechts’ met vier vrouwen op vier verschillende erven tussen de struiken, een paar honderd meter van elkaar verwijderd. In zijn hut bood de stamvader koffie aan. Ik kon er echter niet binnen, want ik ben niet echt lenig meer. Blijkbaar had zijn familie nood aan dekens om de nachtelijke winterkou aan te kunnen. Enkele reisgenoten haalden truien en slaapzakken uit en overhandigden de gaven als de drie wijzen aan het kind. Ik heb twee T-shirts gegeven, te krap voor mij, te groot voor de knapen die ze kregen. Op de groei, nietwaar! Toen we verder reden vertelde de chauffeur dat medereizigers van Koning Aaphier vijf maal per jaar allerlei cadeautjes achter laten. Ik voel me meteen een beetje voor de aap gehouden.

De Mursizijn van oudsher half-nomaden. In het droge seizoen trekken ze het bos in, bij regentijd is de savanne hun woonplaats. Hun minieme hutten bouwen ze telkens weer opnieuw. Ze leven van hun kudde. Hun vee geeft bij leven melk en bloed en nadien vlees. Onder invloed van het toerisme veranderen er toch enige gewoonten: De mannen liepen vroeger naakt in het dorp, nu slaan ze een grote doek over hun lijf, meestal met een bermudabroekje onderaan. De vrouwen begonnen van jongs af aarden of houten schotels in hun onderlip te steken. Want het verhoogde hun schoonheid en hun huwelijksgift, zeg maar van 38 naar 42 stuks vee, door de bruidegom aan de familie van de bruid te betalen. Nu dragen alleen nog enkele oude vrouwen dit speciale sieraad. De jonge laten hun lippen ongeschonden en ze verkopen de schotels als souvenirs aan de toeristen. Andere sieraden zijn hun tatoeages met opgehaalde, maar niet gekleurde motieven, die hun heldendaden verhalen. Ik laat je een vrouw zien met lipschotel. Een schoonheid?

Sinds kort is er een lagere school in het hoofddorp, maar waarom zou men er naar toe gaan? Men leert daar toch geen vee hoeden, noch het graasgebied verdedigen tegen de vijanden?

De toegang tot een van de dorpen is door de regering geregeld bij toerbeurt en kost 100 Birr (3 €) per persoon, fotorechten inbegrepen. We staan er met zo wat dertig toeristen tussen evenveel hutten en een verzameling kinderen van alle leeftijden.

Bij de terugkeer naar het hotel krijgen de jeeps een wasbeurt tussen camions, motoren, fietsen en hun chauffeurs. De carwashtunnel is vervangen door de rivier. Een mannetje waarschuwt om het raam te sluiten en plenst verschillende emmers water op de auto. In een andere jeep is er een misverstand en kiepert het mannetje een ganse emmer rivierwater op een reisgenote. Niet erg, alles droogt hier snel! Na tien minuten is de klus geklaard.

Vanaf morgen rijd ik in twee etappes meteen naar de hoofdstad, en een dag later vlieg ik weer naar Korbeek. Mijn vakantie zit er op. Van dertig graden in de schaduw ’s namiddags, moet ik weer naar nul graden, van droge steppe naar natte sneeuw. Tijd om me klaar te maken voor het Kerstfeest. Aan de leden van OKRA wens ik van op afstand morgen een feestelijke maaltijd. Aan iedereen nu al een zalig Kerstfeest en een gans jaar van geluk, gezondheid en welzijn.

Tot binnenkort.

Gard