Reisverslag uit Kenia

Karen in Nairobi, Kenia.

Sinds vier dagen leef ik nu in een buitenwijk van de Keniaanse hoofdstad, in Karen, Nairobi. De wijk is gebouwd op de vroegere koffieplantage van Karen Blixen, een Deense vrouw die beroemd werd met haar boek “Out of Africa”. Nu is Nairobi een stad met ongeveer vijf miljoen inwoners en de wijk is nog een groot groen gebied, met daarin verspreid villa’s van rijken, firma’s die onbekende zaken doen en veel kloosters, ziekenhuizen, scholen, weeshuizen en enkele grote winkelcentra. Elk van die complexen is omheind met bovenop schrik- of prikkeldraad, met betaalde veiligheidsdiensten, met wachters aan de gesloten poorten en woeste honden ’s nachts.

Ik heb mijn intrek gevonden bij pater Camiel Swertvagher van Don Bosco. Hij was veertig jaar geleden proost van de Korbeekse Chiro. Nu is hij met een collega Safcam aan het uitbouwen, een nieuw actieterrein voor voortgezette vormingen voor hun paters in heel Afrika en Madagaskar. Bijvoorbeeld om nieuwe directeurs wegwijs te maken in hun taken en verantwoordelijkheden, of om wegwijs te worden in psychologische ondersteuning, enzovoort. Met hem bezoek ik verschillende kloosters en scholen in de stad. Ik houd het in dit bericht bij twee ervan: de technische school Don Bosco Boys Town en een onafhankelijk weeshuis.

Door Don Bosco Boys Town waait een moderne wind. Leerlingen van deze technische school draaien en schaven, schroeven en meten, naaien en testen. Natuurlijk zitten er meer meisjes in ‘kledij en kleermaker’ en meer jongens bij ‘lassen’ of ‘bouwen’. Tot mijn verbazing vind ik een man bij de automatische borduurmachine en enkele jonge vrouwen bij elektromechanica. De draaibanken staan netjes gerijd, enkele leerlingen testen een snelheidsregeling voor elektromotoren, verder bouwt een andere groep de controlekast voor zonnepanelen, metsers gooien plakken cement tegen een muur en strijken het glad, loodgieters leggen de leidingen voor een proefopstelling van een centrale verwarming en tientallen auto’s wachten op herstelling en herspuiten. Maar … Ik laat het de vicedirecteur vertellen.

“Vermits Don Bosco mikt op jongeren tussen 18 en 22 jaar met minder kansen, wordt het schoolgeld beperkt. Dit volstaat precies voor het dagelijkse middagmaal. De onderwijzers worden betaald door de opbrengst van het productieve werk in de verschillende ateliers. Het grootste probleem is de aankoop of verwerving van modern lesmateriaal. Hoe kan een automecanieker een recente wagen herstellen, als hij geen injectiemotor heeft gezien? Hoe kan een hedendaagse elektronicus werken als hij geen chips heeft leren behandelen? Maar er is geen geld om ze te kopen en sponsors blijven voorlopig achterwege.”

Later op de dag heb ik een andere ervaring.

Ze zijn zo teer, zo frêle, zo klein, zo schuw. Ze hebben in hun kort en onschuldig leven al een drama meegemaakt in hun lijf en een ramp in hun geest: zij zijn HIV+ en weeskinderen. Ze komen uit het hele land en zijn meestal van in de moederschoot besmet. Want hun ouders waren HIV positief, maar die zijn nu reeds overleden.

Klein duimpje van de zusters toont aan Camiel en mij drie van de acht paviljoenen waar telkens een ‘mama’ veertien kinderen onder haar hoede heeft. Zulke vervangmoeder is altijd, vierentwintig uren, zeven dagen aanwezig, zoals een moeder in een gewoon gezin.

In de namiddag zijn alleen de kleinste ukkies thuis. Ze slurpen gulzig een grote kroes melk. Kindjes op kleuterleeftijd spelen of zwoegen op cijfertjes en letters in een ander lokaal. De bus bracht anderen naar de lagere school tien kilometer verderop en zal ze later weer oppikken. De jongeren op de middelbare school verblijven op internaat, en als ze verder studeren, mogen ze op kamers. Stilaan over de jaren krijgen ze immers meer vrijheid en verantwoordelijkheid. Zoals het ook hoort in een normaal gezin.

‘Zuster, wat is de levensverwachting van deze kinderen?’

‘Als zij zich strikt houden aan hun dagelijkse medicatie, dan is dat zoals bij gezonde mensen.’

‘Maar die medicatie is zeer duur.’

‘Neen, in Kenia is die gratis.’

Ik voel me zo opgelucht over het lot van deze jonge mensen dat ik vergeet te vragen of ze ook door hun familie, buren en bekenden als gewone mensen aanvaard worden.

Ik deed nog veel meer indrukken op, zoals in een H. Mis op zondag, met 1500 mensen in de kerk, vijf concelebrerende priesters, vier lectoren, zeven misdienaars. Ze duurde twee uur en was niet eens de Plechtige Hoogmis. De preek begon met een demonstratie van omhoog gaan en omlaag vallen zoals de sleutelbos van de predikant. We vierden immers Ons Heer Hemelvaart. Tegelijk zaten in de crypte eronder ongeveer evenveel tieners in een jongerenmis en in een zaal er naast nog eens honderden kinderen onder de twaalf jaar voor een kinderviering. Alles heel indrukwekkend.

Of mijn ontmoeting met een lange slungel die de week van zeven dagen en de rekenkundige deling probeert uit te leggen aan het schoolbord. Tijdens de speeltijd vertelt hij mij dat hij de sociaal werker is van ‘Bosco Boys’, een opvangtehuis voor straatkinderen. Zijn directeur herinnert zich dat deze man hier zelf is binnengekomen als een straatjongen.

Morgen reis ik door op safari. Ik ga jacht maken op groot wild. Ik schiet niet met kogels, maar met het fotoapparaat. Daarover vertel ik je volgende week.

Ik groet je van uit een overtrokken maar comfortabel Afrika.

Gard