Met Gard Vermeulen op reis doorheen Afrika (2)

De parken van Namibië

Goede dag.

 

Vooreerst moet ik een vergissing recht zetten uit mijn vorig verslag. Een attente dame liet mij opmerken dat de dieren die in Hout Baai gevoerd worden geen otters zijn maar Kaapse Pelsrobben. Mijn dank aan de dame en mijn verontschuldiging aan alle lezers.

Sinds mijn vorige brief ben ik Namibië van zuid naar noord doorgetrokken. Ik ben net in het Etosha nationaal park aangekomen.

Ik zal best eerst wat vertellen over het land. Het is bijna dertig maal groter dan België, met slechts 2,5 miljoen inwoners. Het lijkt wel leeg. In 1907 hebben de Duitse kolonisten de drie eerste gebieden tot nationaal park verklaard: De Namib woestijn, de Naukluft woestijn en Etosha. Dat laatste park heeft wat water, is een beetje groener, maar de twee anderen krijgen minder dan honderd millimeter water per jaar. Over gans de lengte van de kuststrook aan de Atlantische Oceaan reikt de woestijn, soms vijftig soms vijfhonderd kilometer diep landinwaarts. Dat is niet allemaal zand en zandduinen. Er komen meer rotsen voor, soms vlakten die ooit onder water gestaan hebben en een dunne kleilaag hebben achter gelaten. Nu eens is een veld nauwelijks begroeid, dan weer ziet men wat dorre struiken of groene boompjes. Het landschap wisselt af, maar als men vele dagen over stoffige wegen raast, dan wordt het toch wel wat saai. Als men zo snel een algemene blik werpt op de woestijn, lijkt ze dood. Maar een woestijn moet men in detail bekijken.

Ik ben diep in de Sesriem canyon afgedaald. Het heet ook een kloof, een kleiner broertje van die waarover ik je verleden keer schreef. De Sesriem kloof is ongeveer dertig meter diep en met zes riemen (lederen touwen waarmee men een span paarden ment.) kon men vroeger drinkwater ophalen. De kloof is niet ontstaan door aardbevingen of zo, maar door de erosie van de rivier onderin. Op de wanden kan men haar geschiedenis aflezen zoals men met de ringen van de bomen de leeftijd bepaalt. Als je op de kloofwand een laag ziet met kleine keitjes, dan weet je dat er toen een periode met normale regenval was. Vind je een laag met grove keien, dan duidt dit op een perioden van overvloedige en hevige regenval. Er zijn ook lagen met enkel fijn zand. Dat waren de droge jaren.

Een paar dagen geleden heb ik een wandeling gemaakt over rotsen en keien en in de brandende zon (De wandeling heeft me enkele dagen lang een stijf en pijnlijk been bezorgd.) naar een overhangende grot. Daar hebben de voorouders van vijfduizend tot tweeduizend jaar geleden rotsschilderingen achtergelaten. De oudste tekeningen tonen dieren van toen: een olifant, een neushoorn, een wildebeest en gazellen. Allen lopen ze in de richting van een echte bron. Latere tekeningen tonen de familie of de clan: de vader, de moeder en vier kinderen. De eerste Europese voorbijganger keek naar de witte figuur in het midden en oordeelde dat dit een vrouw was. Hij noemde haar en zij heet nog: “The White Lady” ook al weet men nu dat het een shamaan is, een genezer die door dansen in trance komt en stof opjaagt dat in zijn zweet de benen en het onderlijf kleurt. De donkere figuur wat verder is duidelijk een vrouw.

Een morgen lang ben ik in de woestijn geweest om de kleine dieren op te zoeken. Twee gidsen met negen toehoorders. De ene gids deed het woord terwijl de andere in de omgeving wandelde en de groep dichterbij riep als er interessante dieren te vinden waren. Het begon echter met een plant: de tamarinde. Ik herinner me nog dat er in de tuin van de zusterschool (nu parking van de parochiale gebouwen) in Korbeek-Dijle tegen de speelplaats een tamarinde stond. In de woestijn is hij maar een meter hoog. Hij heeft geen water nodig, hij leeft echt van de hemelse dauw, die elke morgen neerdaalt, hier op minder dan een kilometer van de oceaan. Zijn takjes hebben groefjes waarin het vocht zachtjes condenseert en afloopt. De druppels worden opgevangen door insecten die dorst hebben. De bloemen zijn overvloedig en de zaadhulzen rollebollen samen in de wind tussen de knoestige takken. Het is een schuilplaats tegen roofdieren én een beschermplaats tegen de hoge temperaturen (meer dan veertig graden) voor de kleinere dieren.

Torren kunnen op hout kauwen en bij de vertering ervan water overhouden. Spinnen graven hun holletjes en vangen de kevers. Hun lichaam brengt vocht aan voor de rover. Spinnen worden slachtoffer van hagedissen en kameleons. Zij worden dan weer verslonden door roofvogels. Zo bouwt het vocht zich op in een piramide. Zo vertellen mij de gidsen. Zij zeggen niet wie later de roofvogels opeet.

Wat verder kantelt de gids een steen. Wat kleine kevertjes vluchten. Verder zie ik niets. Tot de gids mij een kopje wijst met twee uitstulpingen zo groot als een kopspeld. Hij noemt het de hoorntjes van een jonge mannetjesslang.; Hij wijst naar de verdikking van de staart en toont twee piepkleine penisjes. Toch verklaart de Engelsman naast mij dat een jonge man met twee penissen een aartsgevaarlijke combinatie is. De gids vertelt dat een slang niet gevaarlijk is als ze zich niet bedreigd voelt. Hij vertelt hoe hij ooit plots oog in oog stond met een cobra. Beiden verstijfden tot het serpent tot besluit kwam dat die andere figuur geen gevaar vormde en tussen zijn benen ontsnapte. Eigenaardig dat Frans, een gids die ik twee dagen eerder ontmoette, precies dezelfde ervaring had meegemaakt. Jurgen porde dit slangetje van zo’n twee handlengten lang op. Het gleed verschrikt weg, kwam even aan mijn schoenen snuffelen en ging dan weer slapen in de schaduw naast de voeten van nog een Brit.

Nadat een jeep even was klem gereden in het zand, door de andere er weer werd uitgesleept, plaatste de gids ons voor een raadsel: wat zien jullie hier? Na even zoeken en wennen ontdekte ik een kameleon naast een schilfer rots. Op die vlakke open plek was het dier zo goed als onzichtbaar. Het was nog fris in de jonge morgen en de mistlaag hing nog over de vlakte. Het dier was verkleumd en bewoog traag. Maar de gids had verleidelijke meelwormen mee. De ogen van het dier draaiden boven zijn kop als twee onafhankelijke zoeklichten van een politieauto. Als alles veilig bevonden was, draaiden ze naar één punt en fixeerden de prooi. De lichaamslange tong van het dier schoot vooruit, omarmde de meelworm voor een doodskus en schrokte hem op.

Toen namen de gidsen ons mee naar een zanderig plateau en wezen een klein zwart lijntje aan, één centimeter lang. En een lichter vlekje, een duimnagel groot. Zij raakten het met hun stokje aan en oeps! Daar verscheen een buisje van dertig centimeter dat hevig wriemelde en zijwaarts snelde. De bochten in hun lichaam en de plaatsen die het aanraakt laten een sidewinder snel zijwaarts rennen. Wat meer is, minder dan de helft van hun lijf raakt de hete bodem voor een fractie van een seconde. Zo verbranden ze zich niet. Enkele meter verder groef het diertje zich weer in tussen de takken van een struik.

Nog een laatste ervaring. De gidsen vinden een klein gaatje in het zand, kleiner dan een muizenholletje. Jurgen schuift handenvol zand weg, blijft het pijpje volgen, vind er twee, kiest eentje, schept meer zand weg, grijpt plots iets vast en als het zand tussen zijn vingers wegglijdt blijft een bleke diertje nasidderen. Doorheen zijn huid zijn de ribben zichtbaar. Van binnenuit kleuren ingewanden helder blauw en groen en rood. De twee grote zwarte ogen van een Paimato, een Namibische Duingekko, staren ons aan. Het tere beestje kan het gewicht van het zand boven hem niet dragen, maar bouwt zijn holletje in één enkele zandlaag en hoopt op de eigen sterkte van de zandlaag om overeind te blijven en het gewicht te schragen. Jurgen peutert met zijn vinger een klein holletje en laat het beestje verder werken. Het begint inderdaad ijverig met de voorpootjes het zand naar achteren te schuiven, maar de bovenlaag stort in. Jurgen redt het diertje van onder de lawine en er volgt een nieuwe poging. Bij de vierde lukt het. Nu beginnen ook de achterpootjes het zand verder weg te schuiven en de staart zwiept het wijd open. Na tien seconden is het hele diertje verdwenen.

De expeditie loopt ten einde en er komt een toetje: een rit van vier jeeps over de zandduinen. Het geeft een speciale kick, maar of dit de bescherming van fauna en flora ten goede komt? Ik laat het oordeel hierover aan de chauffeur-gidsen over wie ik net met veel zorg over de natuur hoorde vertellen.

Nu moet ik dringend naar het avondmaal. Morgen schrijf ik verder.


Gisteren kwamen we toe in Etosha, vol verwachting om de grote wilde dieren te zien. En inderdaad, een rit van anderhalf uur leverde heel wat op. Oryxen, de gazellen met twee spitse rechte horens, zowel voor mannetjes als vrouwtjes, hadden we al eerder gezien. Springbokken zijn ook overal volop aanwezig. Twee leeuwinnen lagen te zonnen, vonden veertig graden toch van het goede te veel en de ene na de andere vond de schaduw onder een brug lekkerder om te liggen. Later zagen we ze terug in de zon. Tegen de avond kwamen we een andere leeuwin tegen die duidelijk op jacht was. Het zonlicht scheen zo mooi door haar haren.

Enkele zebra’s die op de vlakte grazen, toonden hun verschillen met de bergzebra’s. Die laatsten hebben een witte buik en gestreepte poten. De eersten net andersom. Een kudde Grote Kudu’s liep even met ons mee, maar we zagen geen mannetje met die mooie gekrulde horens.

In de verte waakten impala’s en dichtbij liep er een Kori, reuze trapgans, de zwaarste vliegende vogel. O ja, de struisvogels zijn veel groter maar houden zich op de grond. Ze liepen voor ons uit, want zij zijn niet gebonden door de snelheidsbeperking van 30 km per uur voor voertuigen. Mannetjes en vrouwtjes delen beiden het broedproces. In de zwarte nacht zorgt het even zwarte mannetje voor de eieren, in de dag valt het bruine wijfje minder op in het rossige zand als ze op het nest zit.

Aan de waterpoel in het Okaukuejo kamp kon ik van nabij een olifant bekijken en een giraf aan de overkant van de plas. Het is een plezier om telkens de dertig meter naar het water te lopen en er op elk ogenblik van de dag andere dieren te vinden. Gisteravond stond er aan de overkant zelfs een neushoorn, al kon ik die met mijn beperkte camera niet op de foto zetten. Vanmorgen spreidde een giraf haar poten wijd open om er te drinken.

De medereizigers zijn vandaag weer op tocht om nog meer te zien. Ik heb bewust gekozen om te laten bezinken wat ik al heb meegemaakt, om het wild naar bij mij toe te laten komen en rustig naar jullie te schrijven.

Nu stop ik hier. Later meer over wat nog komen zal. Tot dan.

Gard