ZIEKENHUISPASTOR IN CORONATIJDEN

Ziekenhuispastoraat, nabij zijn bij mensen die in hun ziek-zijn worstelen met zinsvragen en hen daarin begeleiden, hoe doe je dat in coronatijden? Het was een vraag die priester Stefaan zich stelde. Hij vroeg iets te schrijven over mijn ervaringen als ziekenhuispastor.

Half maart : Het ondenkbare denkbaar

Je acht het niet voor mogelijk. Al wat enkele weken geleden als vanzelfsprekend werd ervaren, mag plots niet meer: een hand op de schouder van een zoon die moet afscheid nemen van zijn moeder; iemand hartelijk de hand schudden ter kennismaking; een knuffel tussen twee zussen die hun broer moeten laten gaan; een hand vasthouden van een patiënt die net te horen kreeg dat er geen opties meer zijn; elkaars hand vasthouden bij het samen bidden van het Onze Vader rondom een geliefde die om een zegening vroeg; heel dicht een terminale patiënt benaderen die met al zijn laatste krachten nog iets probeert duidelijk te maken…
Op enkele dagen tijd worden al deze warmmenselijke dingen weggemaaid. Het geeft een beetje het gevoel geamputeerd te worden, goed beseffend dat wat je als vanzelfsprekend ervaren hebt, nu niet meer kan, tenminste niet voor onbepaalde tijd Het ondenkbare wordt denkbaar.
Er is nog maar weinig gekend, TV beelden geven een beeld van wat komen kan. De angst voor besmetting en nog meer om de besmetting door te geven aan kwetsbare medemensen is groot. Ik werk dagdagelijks met kankerpatiënten wiens immuniteit danig is aangetast. Afstand houden, handen wassen en ontsmetten worden haast een obsessie. Een artsenschort en een mondmasker worden voortaan onze werkoutfit. Het maakt het contact sterieler.
Ook de inhoud van de gesprekken op mijn oncologieafdelingen werd anders. Bij slecht nieuws buigen mensen zich vaak terug op zichzelf en verdwijnt in eerste instantie de grotere context op de achtergrond. De corona-angst deed het omgekeerde. Ontreddering, eenzaamheid, angst tekenden gesprekken. Maar tegelijkertijd mocht ik getuige zijn van een ontzettend grote solidariteit onder patiënten. Nooit eerder ervaarde ik daar meer gemeenschap dan in deze tijd. En waar ik altijd heel veel respect mocht ervaren van patiënten voor hun zorgverleners op mijn afdelingen, was dit nu alleen nog maar groter geworden. Hartverwarmend!
Is dit wat op mijn pad wordt gestuurd ter compensatie van het gemis aan zichtbare gemeenschapsvorming tijdens de liturgie? Deze is immers plots een virtueel gebeuren geworden. De vieringen in de kapel gaan door zonder publiek en worden uitgezonden op het UZ-kanaal op de bedside TV-schermen.
In privécontext krijgen we het bericht dat we mijn schoonmoeder niet meer mogen bezoeken. Zullen we haar ooit nog terugzien? Communiceren met sociale media is veel te hoog gegrepen voor haar. Aanwezig zijn was de laatste maanden nog het hoogst haalbare.

Enkele weken later

Een moeizame kruistocht is bezig. Veiligheid en gezondheid krijgen hoogste prioriteit in het ziekenhuis, soms ten koste van medemenselijkheid. Er is te weinig beschermingsmateriaal om de veiligheid te kunnen garanderen van ons als pastor. Contact moet lopen via sociale media. Wat ben ik gelukkig dat deze sterk ontwikkeld zijn en dat jonge collega’s ons op dat vlak een heel eind op weg kunnen helpen.
We worden ingeschakeld, overdag samen met psychologen en sociaal werkers om families te ondersteunen. ’s Nachts mogen we als handen te kort schieten rekenen op onze collega’s van het palliatief support team.
Bezoek is een historisch begrip geworden. Uitzondering wordt gemaakt voor palliatieve patiënten waar heel beperkt bezoek met mondjesmaat wordt toegelaten. Op de covid-afdelingen gaat het om 20 minuten wanneer patiënt kritiek wordt. Het verloop van de ziekte is erg grillig en kan erg plots omslaan. Twee familieleden worden uitgenodigd om afscheid te komen nemen, een niet eenvoudig keuzeproces voor de familie zelf. Vaak kwamen families met meer toe. Twee van hen werden dan door ons naar de covid-afdeling begeleid waar ze beveiligd werden om hun familielid te zien. De anderen konden via sociale media volgen en mee communiceren vanuit het opvanglokaaltje.

Soms zit geluk in een klein hoekje. Doordat ik een nieuwe collega mag opleiden, zijn we momenteel telkens met twee, wat de opvang als we moeten splitsen toch een stuk menselijker maakt.
En dan komt de man die afscheid moet nemen, maar het niet aandurft om alleen naar zijn moeder te gaan. Hij vraagt of ik meega en of ik zijn moeder kan zegenen. Nood breekt wet. Met toelating van de arts ga ik mee. Heel behulpzame verpleegkundigen helpen ons in onze kleding. Ik draai mijn gelaatsscherm te vast, ontdek ik te laat om er nog iets aan te wijzigen. Hoofdpijn wordt mijn deel. Ik schrik van de geluidsweerkaatsing en van het stemvolume dat je nodig hebt om je verstaanbaar te maken. Al roepende zegenen heeft iets onnatuurlijk, het staat zo haaks op je wil om zacht nabij te zijn. Nadien woon ik het slechte nieuwsgesprek bij de arts bij ter ondersteuning. Door de context voel je dat je zo weinig kan doen, dat de kwaliteit van je begeleiding zo sterk lijdt onder de hele omkadering. Het geeft ietwat een gevoel van machteloosheid. Achteraf ervaar ik toch alleen maar dankbaarheid van de zoon die nog een hele tijd zijn ervaring ventileert.
Niet lang erna is er de volgende oproep. Een ongewild-uit-huis-geplaatst-iemand geraakt in de instelling besmet en wordt kritiek. De woede is immens bij de familie die voor de tweede keer ongewild moet afscheid nemen. Tomeloze woede wordt gespuid. We luisteren, voelen mee, en staan naast hen in hun machteloosheid. De situatie kantelen kunnen we niet, maar de ruimte die ze krijgen maakt hen erg dankbaar naar ons toe.

Even later worden we opgeroepen op een gewone afdeling waar we gevraagd worden voor een gebed nadat patiënt overleed. Twee van de drie dichtst verwante familieleden zijn aanwezig. De andere leeft 6000 km hiervandaan en mocht het land niet uit. We maken verbinding. Er wordt samen geweend, verteld, gebeden, gelachen, op afstand… Als anderhalve meter al zo moeilijk is om te rouwen. Hoe doe je dat op 6000 km afstand? Toch voel ik dankbaarheid, ook hier.
Omdat zegeningen ter plaatse vaak niet mogelijk zijn, wordt aan de patiënt medegedeeld dat na hun bezoek gebed volgt in de kapel. Een kruisje of een door-creatieve-collega’s zelfgemaakt armbandje met een hartje wordt bij de patiënt achtergelaten en dit zelfde symbool word meegenomen naar het zegenmoment nadien in de kapel met de familie. De zegenkaars, de symbolen, soms de teksten en later de foto na overlijden, die genomen wordt op de covid-afdelingen, zijn kleine houvasten die dankbaar gekoesterd worden door familie.
Ook in de kapel werd een covid-hoekje ingericht. Zorgverleners die het moeilijk hebben met heel dit gebeuren, kunnen terecht om het van zich af te schrijven of in grotere handen te leggen… Voor mij is het ook een hoekje van eer aan alle collega’s in het ziekenhuis die zelf ziek zijn geworden….
En nog meer dan anders sluit ik elke dag af met alles in Zijn handen te leggen zodat Hij kan dragen wat ik niet dragen kan…

Begin mei: geen Granada, maar wel tijd tot reflectie

Ons jaarlijks verlof, zoals bij velen is uitgesteld. Ik blijf thuis, ruim op, verf, bezin, tuinier en blik terug…
Met verwondering heb ik gekeken naar de grote flexibiliteit van een ziekenhuis om over te schakelen in crisismomenten. Als ik zie hoe snel afdelingen afgebouwd werden om vrij te komen voor covid-afdelingen, hoe snel teams genadeloos uiteen gehaald werden om deze crisis te managen, hoe communicatie voor ruim 9000 personeelslieden liep…
Tegelijkertijd stelde ik vast hoe moeilijk het was om bij gebrek aan beschermingsmateriaal medemenselijkheid ruimte te geven die mogelijk ten koste van een zeer beperkte vermindering van veiligheid en fysieke gezondheid zou gaan.
Ook de kwetsbaarheid van ons land door de grote afhankelijkheid van zorgmateriaal uit het buitenland, blijft hangen.
Dankbaar blik ik terug op ons warm en dragend team, dat door heel dit gebeuren nog meer naar elkaar is toegegroeid dan het voordien al was.
En naar mezelf toe zag ik een opvallende rode draad doorheen dit op-stap-mogen-gaan-met-mensen met name mijn gevoel van frustratie omwille van de grotere beperking in er-te-kunnen-zijn. Opvallend daarentegen was de enorme dankbaarheid van patiënten en families via mail, telefoontjes, verwijzingen in rouwberichten… Dit liet me denken aan het verhaal van de talenten. Als je er vijf gekregen hebt, verdubbel ze. Als je er één gekregen hebt, doe dat ook. Begraaf ze niet, maar probeer niet om ze onrealistisch te vertienvoudigen. Als je doet wat je kan met de mogelijkheden die je hebt in de context waar je staat op het moment dat je er bent, heb je goed gedaan.
Zij, met wie ik op weg mocht gaan, brachten mij dit bij en ik heb me laten dragen, door hen, door Hem, door Hem in hen… Goddank.

Ria Cokelaere, pastor UZ Leuven Gasthuisberg
Reacties kunnen op ria.cokelaere@uzleuven.be