HET SINT-STEFANUSRETABEL


De kerk van Korbeek-Dijle bezit een kostbaar laat-gotisch snijaltaar dat de geschiedenis van Sint-Stefanus voorstelt. Stefanus was diaken en de eerste martelaar van de jonge kerk. Op 28 juli 1522 werd het retabel door pastoor Egidius (Gillis) Stevens besteld bij schilder Jan Vander Cautheren in Leuven. De aanleiding tot deze opdracht was drievoudig:

  • Sint-Stefanus is een van de twee patroonheiligen van de parochie
  • Sedert de middeleeuwen bezat de kerk van Korbeek-Dijle belangrijke relieken van deze heilige, en talrijke scharen bedevaarders werden er door aangetrokken
  • De pastoor had waarschijnlijk door zijn naam “Stevens” een bijzondere sentimentele band met de heilige Stefanus, alias Sint-Steven.

Veertien dagen voor Kerstmis van hetzelfde jaar 1522 werd het retabel kant en klaar geleverd.

Het retabel omvat een middenstuk uit houtsnijwerk en twee kleine en vier grote zijluiken.

1 .  Het middenstuk of eigenlijke retabel

 Bestaat uit houtsculpturen die taferelen voorstellen uit het leven van Sint-Stefanus. Schilder Jan Vander Cautheren besteedde dit werk uit aan houtsnijders.

De passer die voorkomt op de zijwanden van de kist wijst op de Brusselse herkomst van het houtsnijwerk.

In de periode 1858-1859 werd het retabel gerestaureerd door de gebroeders Goyers uit Leuven. De beschildering en het verguldsel werden vernieuwd. Aan dit verblijf in Leuven is het te danken dat het retabel niet vernield werd in de kerkbrand van 22 september 1858.

Van links naar rechts zien we volgende vijf taferelen:

1° Aanstelling en wijding van Stefanus tot diaken door de apostelen

2° Stefanus houdt een begeesterde toespraak tot de orthodoxe joden van de Hoge Raad in Jeruzalem, waarbij hij hun verweet de wet van Mozes uitsluitend naar de letter toe te passen en Jezus van Nazareth te hebben afgewezen.

3° Midden boven: de Drie-Eenheid in de rede van Stefanus: ‘Ik zie de hemel geopend en de mensenzoon aan de rechterhand van de Vader’. Dat was een godslastering voor de joden.

Midden centraal: Zij hielden hun oren dicht, begonnen luid te schreeuwen, stormden als één man op hem af, sleurden hem de stad uit en stenigden hem.

Midden linker benedenhoek: De getuigen legden hun kleren neer bij een jongeman, die Saulus heette en die instemde met de moord. Saulus zal na zijn spectaculaire bekering op de weg naar Damascus de latere apostel Paulus worden.

4° Stefanus is na zijn steniging ten gronde gezegen. Zijn lichaam wordt weggenomen door zijn vrienden, onder wie rabbi Gamaliël, in het geheim een volgeling van Christus en latere leermeester van Paulus.

5° Het gouden reliekschrijn, of de kroning en verering van Stefanus.

2 . De voorkant van de geschilderde zijluiken
Deze zijn gewijd aan de vinding en de overbrenging van de relieken van Sint-Stefanus. Het verhaal situeert zich rond het jaar 400 na Christus. Hierover bestaan talrijke bronnen, o.a. de brief die aan priester Lucianus wordt toegeschreven en de “Legenda aurea” (de Gulden Legende ) van Jacobus de Voragine.

1° Boven links: Gamaliël verschijnt op een nacht aan priester Lucianus en openbaart hem de plaats waar het gebeente van Sint-Stefanus begraven ligt.

2° Boven rechts: Gamaliël verschijnt aan bisschop Joannes van Jeruzalem, die de toelating zal geven tot ontgraving.

3° Eerste paneel links: De ontgraving heeft plaats onder toezicht van Lucianus.

Drie kerkvorsten, waaronder de bisschop van Jeruzalem, treden zingend nader, voorafgegaan door twee diakens. Op de achtergrond de stad Jeruzalem. Rechts boven het interieur van de Sionkerk in Jeruzalem waar Stefanus aartsdiaken was gewijd. De vergulde kist met het lichaam van Sint-Stefanus bevindt zich op het altaar. Een knielende bisschop en priester Lucianus vormen de erewacht.
Vooraan pastoor Egidius Stevens. Naast de pastoor zien we het monogram (I.C.) van schilder Jan Vander Cautheren.

4° Tweede paneel links: stelt de overbrenging van Sint-Stefanus’ lichaam naar Constantinopel voor.

Constantinopel was het vroegere Byzantium en het latere (nu) Istanbul.

Een zekere senator Alexander bouwde te Jeruzalem een kerk, gewijd aan Sint-Stefanus, waarin de relieken van de heilige werden ondergebracht. Bij zijn dood werd de senator, op zijn verzoek, bijgezet naast het lichaam van Sint-Stefanus. Acht jaar later wenste zijn vrouw het lichaam van haar man te laten overbrengen naar Constantinopel.
Per vergissing wordt Sint-Stefanus’ lichaam ingescheept in plaats van dit van de senator.
Als het schip in volle zee is gekomen gebeuren er vreemde dingen: duivels verschijnen rond het schip om het te vernietigen, en het dreigt in een hevige storm te zullen vergaan.
Terwijl de matrozen beefden van angst verscheen de Heilige Stefanus en sprak tot hen: ‘Vrees niets, ik ben met u’. Plots werd alles rustig en de boot kon ongestoord zijn koers verder zetten naar Constantinopel.

5° Eerste paneel rechts van het middenstuk

Intussen was men zich bewust geworden van de vergissing bij de inscheping.

In opdracht van de keizer biedt Constantinopel Sint-Stefanus’ lichaam een luisterrijke ontvangst. De keizer zelf en ook de bisschop zijn aanwezig.

De tot het christendom bekeerde en in Constantinopel verblijvende keizer van het Oost-Romeinse Rijk Theodosius II (was keizer van 408 tot 450) verzocht zijn dochter, prinses Eudoxia die te Rome verbleef en door de duivel bezeten was, naar Constantinopel te komen om er de relieken van Sint-Stefanus aan te raken. Maar de demon in haar riep: ’Als Stefanus niet zelf naar hier komt ga ik niet weg van hier’. Daarop werd met de goedkeuring van de geestelijkheid en van het volk een overeenkomst bereikt met de paus om de relieken van de Heilige Laurentius, die te Rome werden bewaard, te ruilen voor die van de Heilige Stefanus.

Op weg van Constantinopel naar Rome werd aangelegd te Capua, alwaar de inwoners het voorrecht kregen de rechterarm van de heilige te bewaren in een daarvoor speciaal gebouwde kerk. Daarna werd het lichaam van de martelaar verscheept naar Rome waar de relieken in de kerk van ‘San Pietro in vicoli’ zouden worden ondergebracht. Op de weg daarheen moesten de dragers echter stoppen, daartoe gedwongen door een mysterieuze macht. Het was opnieuw de demon in prinses Eudoxia die riep: ‘Stefanus wil rusten naast zijn broeder Laurentius’.

 

6° Uiterst rechts paneel

 

Daarom werd Stefanus naast Laurentius gelegd in de crypte van de kerk waar zij halt hadden gehouden. Bovenaan het paneel ziet men de geknielde keizer Theodosius II en zijn dochter Eudoxia die van de duivel was bezeten. De prinses raakt de kist aan en terstond verlaat de duivel (afgebeeld als een kleine draak) het lichaam van de prinses. Toen de Griekse geestelijken daarop het lichaam van Laurentius wilden meenemen werden zij ter aarde gegooid en zij stierven enkele dagen later. Ook hoorden de aanwezigen een stem uit de hemel die sprak: ‘Gelukkig zijt gij Rome dat gij in dezelfde tombe de lichamen van zowel Laurentius als Stefanus moogt bewaren!’.

2 . De achterkant van de geschilderde zijluiken

Stelt wonderbare tussenkomsten voor van Sint-Stefanus bij ziekte en dood.
Hierover bestaan geen geschreven bronnen, maar waarschijnlijk gaat het om wonderen die zich in Korbeek-Dijle zelf hebben voorgedaan.

1° Boven links

Een vrouw strijkt met een pluim helende balsem (Sint-Stefanusolie) aan de borst van de neergezeten vrouw, die op wonderbare wijze geneest.

2° Boven rechts

Een andere vrouw geneest eveneens op wonderbare wijze van een etterende wonde aan het been.

 

3° Eerste paneel links onderaan

Een zwaar ziek of overleden kind wordt bij het beeld van Sint-Stefanus gelegd en zijn hulp erover afgesmeekt. Het kind geneest of wordt tijdelijk opgewekt uit de dood, voldoende om het doopsel te kunnen ontvangen.

Het kerkje met opengewerkte gevel zou een afbeelding zijn van de toenmalige romaanse kerk van Korbeek-Dijle zoals deze er in 1522 uitzag. In de rechter bovenhoek ziet men een stadspoort, waarschijnlijk een van de stadspoorten van Leuven. In hetzelfde paneel ziet men ook een kerk met een merkwaardige toren met vier hoektorentjes. Waarschijnlijk betreft het hier de Sint-Geertruikerk van Leuven.

4° Tweede paneel vanaf links onderaan

Sint-Stefanus verschijnt zegenend aan het sterfbed van een ongelovige die zich bekeert. De stervende houdt een kaars in zijn handen.

Bemerk in de hand van Sint-Stefanus één van de stenen waarmee hij werd gestenigd

5° Derde paneel

Een zieke met een doek om het hoofd wordt naar de kerk gebracht. Verder ziet men dezelfde persoon geknield voor het altaar met het beeld van Sint-Stefanus.


6° Vierde paneel


Een vrouw in haar kraambed heeft zopas een levenloos kind ter wereld gebracht. Twee andere vrouwen proberen haar te troosten. Onderaan ziet men de vroedvrouw met het levenloze kind in haar armen. De vroedvrouw brengt het kind naar de kerk voor het beeld van Sint-Stefanus en hier wordt het kind door de voorspraak van de heilige tot leven gewekt.

Als voornaamste stijlkenmerken van het retabel noteren we: zijn verhalend karakter, zijn individualisering van personages en zijn opentrekken van gebouwen. Het geheel doet gotisch en zelfs archaïserend aan.

Het retabel is van groot documentair belang. Het geeft een uitzonderlijk beeld van de materiële cultuur van de late middeleeuwen op gebied van meubilair, kledij, geboorte, ziekte en dood.

Vooral de achterzijde heeft een buitengewone betekenis. Het voorgestelde kerkgebouw is ongetwijfeld geïnspireerd op de toenmalige kerk van Korbeek-Dijle.

Het Sint-Stefanusretabel van Korbeek-Dijle is één van de zeldzame overblijvende kunstwerken van die aard.

Sinds 2015 werd het opgenomen in de lijst van het roerend cultureel erfgoed van de Vlaamse Gemeenschap (Topstukkenlijst).

Cyriel Letellier

 

De Sint-Pieterskerk: 10 eeuwen Bouwgeschiedenis in vogelvlucht

De Sint-Pieterskerk van Bertem is één van de oudste en best bewaarde voorbeelden van kerkelijke romaanse bouwkunst in België. De meeste kunsthistorici zijn vandaag van oordeel dat met de bouw van dit bedehuis werd begonnen in de vroege 11deeeuw. Kanunnik Raymond A. Lemaire, onder wiens leiding in 1934-1935 een grondige archeologische studie en restauratie van de kerk werden uitgevoerd, dateerde haar zelfs nog vroeger, namelijk in de tweede helft van de 10deeeuw. Bertem was toen eigendom van de machtige Noord-Franse abdij van Corbie (bij Amiens). De abt van Corbie oefende er in die periode zowel het geestelijke als het wereldlijke gezag uit. Patroonheilige van de kerk van Bertem was dan ook Sint-Pieter, meer bepaald Sint-Pietersbanden (S. Petrus ad Vincula; 1 augustus), de patroon van de abdij.

Van west naar oost bestaat de kerk uit drie hoofdgeledingen: de massieve toren, het basilikale kerkschip en de naar verhouding kleine koorpartij (totale binnenwerkse lengte ca.36 meter).

WESTTOREN

  • Aan drie zijden vrijstaand;
  • Vierkante plattegrond (binnen: ca. 4,35 x4,35m);
  • Muurdikte: ca. 1,26 m;
  • Piramidaal dak;
  • Later ca. 2 m verhoogd;
  • Binnenin: 5 niveau’s (gelijkvloers overkluisd door stenen tongewelf, daarboven vier verdiepingen met houten vloeren);
  • Oorspronkelijk ontoegankelijk van buitenaf, via een brede boog geopend op de middenbeuk.

 

DRIEBEUKIG BASILICAAL KERKSCHIP

 

  • In elke travee vier rondboogramen;
  • Blinde boogvormige spaarvelden breken de eentonigheid van het interieur;
  • Langs de binnenste hoeken van de plintloze pijlers groef of uitsparing die zich voortzet langs de scheibogen.

 

DE TWEEDELIGE KOORPARTIJ

 

 

 

  • Een rechthoekig priesterkoor met een houten plafond;
  • Een halfronde apsis met een primitief gemetseld, afgeplat bovengewelf;
  • Buitenbreedte priesterkoor en westtoren zijn gelijk. Beiden liggen exact in elkaars verlengde;
  • Middenbeuk en koor zijn op elkaar geopend via een triomfboog.

De Sint-Pieterskerk van Bertem is één van de oudste en best bewaarde voorbeelden van kerkelijke romaanse bouwkunst in België. De meeste kunsthistorici zijn vandaag van oordeel dat met de bouw van dit bedehuis werd begonnen in de vroege 11deeeuw. Hieronder een overzicht van restauraties en verbouwingen.

Latere verbouwingen en restauraties

  • In de eerste helft van de 13deeeuw krijgt het kerkschip een nieuw dak met een helling van 50° ter vervanging van het oude met een helling van 37 à 38°;
  • Oorspronkelijk waren er drie toegangsdeuren:

– De eerste in de westelijke muur van de zuidelijke zijbeuk

– De tweede onder het tweede venster in de noordelijke muur van de noordelijke zijbeuk

– De derde is de zogenaamde ‘paradijspoort’ die in de 13deeeuw werd toegevoegd en dienst deed voor de clerus

 

Paradijspoort met detail

 

  • In de 17deeeuw worden de twee eerste hoofdingangen dichtgemaakt en vervangen door een hoofdingang in de westelijke muur van de toren.

17de–18deeeuw: heropbouw van de oostelijke topgevel van de lichtbeuk in baksteen.

  • Tussen 1830-1837 bouwt men het ‘vagevuur’ ten noorden van de toren, geïnspireerd op een antiek tempietto (een kleine, tempelachtig gebouw) met ionische kapitelen;
  • In 1854 worden 4 steunberen opgericht tegen de noordelijke zijbeukmuur wegens de bouwvalligheid van deze zijbeuk.
  • De kerkfabriek vraagt in 1858 een gedeeltelijke afbraak van de kerk aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten, wat wordt geweigerd.
  • Eugène Gife, architect van de provincie Antwerpen, maakt in 1870 op vraag van de kerkfabriek en de gemeenteraad, een ontwerp voor een nieuwe neogotische parochiekerk, omdat ‘de kerk is te klein en bouwvallig’. De nieuwe kerk zou gebouwd worden langs de Tervuurse-steenweg, tegenover het gemeentehuis;

  • 1872-1873: de Koninklijke Commissie wijst de nieuwbouw af en verdedigt het behoud, de herstelling en de uitbreiding van de zijbeuken van de bestaande kerk langsheen de toren;
  • 1874: publicatie van de studie ‘Dissertation archéologique sur l’église de Berthem’ van Alphonse – J.L. Jacobs, lid van de Koninklijke Commissie, die de kunsthistorische en archeologische waarde van de romaanse kerk verdedigt.

Nadat de afbraak van de kerk door de Koninklijke Commissie voor Monumenten wordt geweigerd, wordt ook de bouw van een nieuwe kerk afgewezen.

  • 1896: het probleem van de te kleine kerk wordt weer opgerakeld door pastoor J.E. Kuyl: de parochie telt 1846 zielen, de kerk biedt maar plaats aan 600 gelovigen. De Leuvense architect Pieter Langerock dient twee voorstellen in voor de vergroting van de bestaande kerk die allebei worden afgewezen door de Koninklijke Commissie voor Monumenten;
  • 1903-1909: Nadat een deel van het stucwerkplafond boven het doksaal loskomt, plaatst architect Pieter Langerock nieuwe houten plafonds in het kerkschip en in het priesterkoor van de kerk;
  • 1934-1935: grootscheepse restauratie van de kerk onder leiding van Prof. Kan. Raymond Lemaire en architect F. Vandendaele, met als doel:
    • de algemene verbetering van de bouwfysische toestand van de kerk;
    • de maximale herstelling van haar Romaans karakter.
    • De wankele noordelijke zijbeukmuur wordt afgebroken en stevig heropgebouwd;
    • De Romaanse vensters van de zijbeuken worden naar authentieke resten hersteld;
    • De dakhelling van de bedaking van het priesterkoor en de apsis wordt teruggebracht van 48° naar 38°;
    • Bouw van de nieuwe sacristie langs de zuidzijde van het priesterkoor en opening van de herontdekte paradijspoort;
    • Het interieur wordt van zijn pleisterdecor ontdaan en opgefrist.
  • 1 februari 1937: de Sint-Pieterskerk wordt bij Koninklijk Besluit beschermd als monument (na voorgaande klassering als monument 3deklasse in 1896);
  • 1967: de meest recente grootschalige herstellingswerken aan de bedaking en het buitenmetselwerk;
  • 1993-1996: restauratie van het Lambert-Corneille Van Peteghemorgel, aanleg van vloerverwarming en nieuwe vloer in natuursteen, restauratie van het meubilair en de schilderijen, opfrissing van het gehele interieur;

 

  • Vanaf 2005-2006: voorbereiding van een nieuwe grote restauratie van het exterieur van de kerk.

 

ENKELE TOPSTUKKEN UIT HET KUNSTPATRIMONIUM VAN DE SINT-PIETERSKERK:

Het orgel en de orgelkast met de doksaalballustrade (1829-1831)

Dit mooie instrument kan met absolute zekerheid aan de Gentse orgelbouwer Lambertus-Cornelius (of Lambert-Corneille) van Peteghem (°Gent 1779 – †Waarschoot 1855) worden toegeschreven. De orgelbouwer liet immers in het linkerdeel van de windlade van het groot-orgel de inscriptie na L. Van Peteghem Fecit à Gand Novem. 1829.Zoals gebruikelijk in die tijd werd het instrument gebouwd door een orgelmaker, maar werd de bouw van de orgelkast, het meubel waarin het orgel geplaatst werd, overgelaten aan een schrijnwerker, meubelmaker of beeldhouwer, die werkte volgens een plan dat werd opgesteld door de orgelbouwer of door een architect. Uit de kerkrekeningen van de Sint-Pieterskerk blijkt dat de schrijnwerker Petrus Van Goubergen uit Tildonk al vóór 2 augustus 1829 met de bouw van deze orgelkast was begonnen en deze in december van dat jaar had afgewerkt. Men had in het atelier Van Goubergen ongeveer 17 weken aan het meubel gewerkt. De opbouw ervan in de kerk nam nog eens 2 weken in beslag.

De betaling van deze werken door Petrus Couckelberghs, penningmeester van de kerkfabriek van Bertem, had plaats op 10 januari 1830. Ook het beeld van koning David bovenop het orgel en de balustrade op het doksaal was van de hand van Van Goubergen. Deze laatste moet kort na de uitvoering van deze werken overleden zijn, aangezien bij de uitbetaling van 4 mei 1831 zijn weduwe het geld ontving.

Uit de kerkrekeningen kan verder worden afgeleid dat Lambert-Corneille Van Peteghem het orgel in de Sint-Pieterskerk heeft opgebouwd in de maand mei 1830. Mogelijk was zijn oudere broer Petrus-Carolus (of Pieter-Charles) hierbij betrokken, want het was aan deze laatste dat op 24 januari 1831 de kostprijs der werken – vijfhonderd gulden Brabants Courant – werd uitbetaald. Het werkterrein van de broers lag hoofdzakelijk ten westen van Gent en opdrachten in de andere richting van het land waren eerder uitzonderingen: Sint-Pieters-Rode (1817); Leuven, Sint-Pietershospitaal (1828); Bertem (1829). Het Lambert-Corneille Van Peteghem-orgel van Bertem is ingebouwd in de doksaalbalustrade. Het bovengedeelte van het front bevat sprekende pijpen (van het Prestant-register), daarachter bevindt zich op dezelfde hoogte de windlade met het binnenpijpwerk. Het kleine front in de voet van het meubel bevat slechts stomme pijpen. Dit schijnfrontje moest de indruk wekken dat zich daarachter een Positief-werk (tweede klavier) bevond. Het instrument telt 12 registers en twee accessoire-spelen. Het heeft één manuaalklavier, ingebouwd in de rugzijde, en er is geen pedaalklavier. Het handklavier heeft 54 toetsen, van C tot f3.

Het schilderij ‘de heilige Eligius, bisschop van Noyon en Doornik, patroonheilige der smeden’ van Lambert Blendeff (1686)

Dit schilderij (olie op doek, 143 x 185 cm) werd in 1686 in opdracht van de kerkmeesters van de Sint-Pieterskerk geschilderd door Lambert Blendeff (°Luik ca. 1650 – †Leuven 1721). Het was een altaarstuk voor een nieuw barokaltaar ter ere van de Heilige Elooi dat in datzelfde jaar in de kerk was geplaatst. Lambert Blendeff, een Luikenaar die op jonge leeftijd naar Leuven was uitgeweken, maakte er vooral naam als schilder van religieuze onderwerpen en als portrettist. Hij was de officiële schilder van de stad en was ook als iconograaf en portretschilder verbonden aan de Leuvense universiteit.

De vele opdrachten die Blendeff ontving vanwege de stad, de universiteit en de Leuvense kloostergemeenschappen (o.a. van de Jezuieten en de Norbertijnerabdij van Park in Heverlee) legden hem geen windeieren en maakten van de schilder een welgestelde burger. In 1707 kocht hij voor de ronde som van 4.000 gulden het huis de Gulden Fonteynin de Tiensestraat, een ruime patriciërswoning die hij al sedert 1680 bewoonde. Hij zou er ook overlijden. Lambert Blendeff werd begraven op het voormalige kerkhof van de Sint-Michielskerk.

Tot voor kort werd nog aangenomen dat dit schilderij in 1819 werd geschilderd door Jan-Baptist van der Hulst (°Leuven 1790 – †Brussel 1862). Naarmate in de winter van 1993-1994 de restauratiewerkzaamheden aan het schilderij vorderden, kwam restaurateur Pierre Masson van het atelier Salv’ Artes in Leefdaal stilaan tot de overtuiging dat het hier om een veel ouder werk ging uit het laatste kwart van de 17deeeuw. Archiefonderzoek in de kerkrekeningen kon deze stelling bevestigen en liet toe het doek met zekerheid aan Blendeff toe te schrijven. Verder bracht dit onderzoek aan het licht dat Blendeff’s ‘Sint-Elooi’ in 1819 werd weggenomen uit het altaar toegewijd aan deze heilige. Het schilderij werd vervolgens door Jan-Baptist van der Hulst gerestaureerd en naar een andere plaats in de kerk overgebracht.

ENKELE TOPSTUKKEN UIT HET KUNSTPATRIMONIUM VAN DE SINT-PIETERSKERK:

  De reliekhouder voor Sint-Elooi van Leuvenaar Petrus Roelants (1713)

Voor zover kon nagegaan worden heeft Bertem steeds Sint-Pieter als patroonheilige gehad. Toch bestaat er daarnaast in dit Voerdorp tot op vandaag een zeer levendige devotie tot de heilige Eligius, in de volksmond beter gekend als Sint-Elooi, wiens feestdag traditioneel op 1 december wordt gevierd. Toen op 30 november 1713 de relieken van deze heilige plechtig in de Sint-Pieterskerk werden ingeleid, kregen deze een plaats in de vergulde borstbeeldreliekhouder uit lindehout in late Lodewijk XIV-stijl, die de kerkmeesters in dat jaar in Leuven hadden laten maken. Eligius van Noyon (°Chaptelat bij Limoges, tussen 588 en 590 – †Noyon aan de Oise, 1 december 660) volgde op aansturen van zijn vader Eucher en opleiding tot goudsmid bij Abbo, de koninklijke muntmeester in Limoges. Toen hij klaar was met zijn opleiding vestigde hij zich als goudsmid in Parijs, waar hij al vlug bekend werd, ook aan het hof van de Frankische koning Chlotarius II († 628). Hij kreeg van Chlotarius de opdracht een luxueuze troonzetel te maken en deze gaf hem daarvoor het nodige goud. Elooi was echter zo handig dat hij met dit goud twee zetels vervaardigde. De koning was zo getroffen door zijn eerlijkheid en stielkennis dat hij Elooi benoemde tot koninklijke muntmeester in Marseille. Tijdens de regering van Chlotarius’ zoon, koning Dagobert I († 639) werd Elooi zelfs één van de voornaamste koninklijke raadgevers. Na de dood van Dagobert wijdde Elooi zich aan de bekering van de Franken en op 13 mei 641 werd hij tot bisschop van Noyon-Doornik gewijd. Hij kwam ook naar Vlaanderen om er het christelijke geloof te verspreiden. Hij is patroon van alle ambachtslieden die met een hamer werken zoals, mijnwerkers en timmerlui, hoef- en edelsmeden; munters, numismatici en muntenverzamelaars (van hieruit ook van armen in geldnood); graveurs en horlogemakers; blikslagers, scharenslijpers, sloten-, klokken- en messenmakers; van ijzerdraaiers, metaalbewerkers en betonvlechters; werktuigkundigen, mecaniciens, elektriciens, lampenmakers en informatici; koetsiers, koets- en wagenmakers (en daardoor in de moderne tijd ook van garagehouders); van zadelmakers, paardenhandelaren, pachters, boeren, landbouwers, knechten; voerlui en vrachtrijders; vee- en dierenartsen; bewakers en veiligheidspersoneel. Hij is beschermheilige van de paarden en wordt aangeroepen tegen veeziekten (vooral paarden), epidemieën, kindergeschreeuw, steenpuisten, steenzweren, zenuwziekten, zweren. Daarnaast neemt men tot hem zijn toevlucht bij geldgebrek.

DE ROMAANSE ‘ZITTENDE MADONNA MET KIND JEZUS’ OF ‘SEDES SAPIENTIAE’ UIT DE 12deEEUW

Dit gepolychromeerd houten beeld uit de romaanse periode is de meeste waardevolle kunstschat van de Sint-Pieterskerk van Bertem. Dit beeld behoort tot het type van de Sedes Sapientiaeof ‘Zetel der Wijsheid’: Maria, zittend op een troon, met het kind Jezus, de ‘Wijsheid’, op haar schoot. In de Nederlanden, vooral in de Maasstreek, kwam dit type van zittende Mariabeelden tijdens de 12deen de eerste helft van de 13deeeuw veelvuldig voor. Tot hetzelfde type behoort de Sedes Sapientiae in de Leuvense Sint-Pieterskerk. Nadien werd Maria eerder staande voorgesteld, met het Jezuskind op de arm. Tot 1970 bevond dit beeld zich in de veldkapel op het kruispunt van de Molenstraat en de Oude Tervuursebaan. Daar was het tijdens de 19deeeuw geplaatst nadat het eeuwenlang in de Sint-Pieterskerk voorwerp van devotie was geweest. Bij de sloping van de kapel voor de aanleg van de huidige E-40-autosnelweg vestigde Dhr. J. de Kempeneer de aandacht op de hoge artistieke waarde van dit beeld, zodat het ter restauratie werd toevertrouwd aan het Koninklijk lnstituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel (1970-1976). Zeven verflagen werden verwijderd, de derde laag polychromie (gotisch, 14deeeuw) werd behouden, opgefrist en bijgewerkt. Sinds 1982 staat het beeld opgesteld in een beveiligde en geacclimatiseerde koffer boven het Onze-Lieve-Vrouwaltaar.

 

F4427 D 32.j

Johan Breugelmans

Het kruim van de boerenstand in Korbeek-Dijle in de 19de eeuw

1 . Uit het familiearchief van (Joannes) Josephus Coeckelberghs

Wie was Josephus (Jef) Coeckelberghs?

Josephus Coeckelberghs (°Neerijse 1805 / +Korb.D. 1881) was de zoon van Franciscus Coeckelberghs (°Korb.D. 1774 / +Korb.D. 1848) en Maria Catharina Vandenbosch (°Neerijse 1770 / +Korb.D. 1850).
Zijn grootvader Engelbertus Coeckelberghs (° 1739) kwam van Egenhoven, van het Hof van Rotspoel, en trouwde te Korbeek-Dijle met Maria Theresia Van Kildonck (°Korb.D. 1742 / +Korb.D. 1816).
Engelbertus’ “Hof van Coeckelberghs”, op de plaats van de huidige koiwinkel El Patio, behoorde voordien waarschijnlijk toe aan de Van Kildonck’s, zijn schoonfamilie. Dit leid ik af uit de Atlas van de Buurtwegen.
In de Atlas van de Buurtwegen (1845) behoort het domein van het Hof van Coeckelberghs, met inbegrip van het huidige domein van Frans Goovaerts, toe aan Franciscus Coeckelberghs, en het huidige domein van Guy De Coker en Hilde Velghe behoorde toe aan een weduwe Van Kildonck. De grond langs de Nijvelsebaan tussen de Twee Kantjes tot en met het vroegere domein van Jan Van Caudenberg behoorde toe aan Franciscus Coeckelberghs terwijl het domein ernaast, meer de Ruwaalstraat in, toebehoorde aan Guillaume Van Kildonck. Dit wijst op een verdeling van oorspronkelijke Van Kildonckeigendommen tussen Coeckelberghs en Van Kildonck of anders gezegd tussen kinderen Van Kildonck.

De huwelijken van Josephus Coeckelberghs:


Op 16.4.1837 overlijdt zijn derde dochtertje, 6 dagen oud, en op 27.4.1837 zijn eerste vrouw, 17 dagen na de geboorte van haar derde kind. Josephus blijft achter met twee dochtertjes van respectievelijk 3 jaar en 5 maanden en 1 jaar en 5 maanden.

Maar het leven gaat verder. Op 17 juni 1837 legt Josephus Coeckelberghs de eed af als gemeenteraadslid onder burgemeester Josephus Abts (burgemeester van 1836 tot 1842). Na de verkiezingen van 1839 wordt hij tot schepen benoemd bij koninklijk besluit van 13 januari 1840.

En op 10.11.1842 hertrouwt de 37-jarige Josephus Coeckelberghs met een dochter van zijn overburen, de 28-jarige Maria Theresia Bruffaerts, reeds moeder van een zoontje van 1 jaar en 8 maanden, dat door Josephus wordt erkend. Samen krijgen zij nog tien kinderen waarvan er vijf volwassen werden.

Onder burgemeester Remi Prosper Honnorez (burgemeester van 1843 tot 1872) was hij als schepen ook ambtenaar van de burgerlijke stand van 1843 tot 1856. Op 24 januari 1850 wordt hij daarenboven gekozen tot lid van het Bureel van Weldadigheid.
Na de verkiezingen van 1872 en het overlijden van burgemeester Remi Prosper Honnorez stopt Josephus Coeckelberghs als gemeenteraadslid en schepen, na meer dan 35 jaar onafgebroken politieke activiteit, waarvan 33 jaar als schepen.

Bij de verkiezingen van eind 1884 wordt Eduard Coeckelberghs (1855-1943), een zoon van Josephus, tot gemeenteraadslid verkozen. Maar bij de verkiezingen van 19.10.1890 komt zijn oudere broer Theophiel (1850-1916) in zijn plaats. Na de verkiezingen van 17.11.1895 wordt Theophiel Coeckelberghs schepen en hij blijft het tot eind 1903, wanneer hij ook uit de gemeenteraad verdwijnt. Het einde van de Coeckelberghs’en in de politiek.

Het boerenleven van Jef Coeckelberghs

 Op 30.6.1842 kocht vader Franciscus Coeckelberghs voor hemzelf en voor zijn zoon Jef, ieder voor de helft, een perceel land van 68a 85ca in het Overhoutveld te Korbeek-Dijle voor de prijs van 2.320 fr. Prijs per ha: 3.370 fr.

De verkoopster was Louisa Isabella Joanna Eugenia Goubau, echtgenote van Petrus Franciscus Godefridus de Fraye de Schiplaeken, gehuisvest te Brussel. Zij was een achternicht van Julia Goubau, de stammoeder van de Honnorez’s.

Deze koop was maar één van de twaalf percelen aangeboden door verkoopster Goubau. Een ander perceel, van 47a 50ca op de Zevenbunders, werd gekocht door Franciscus Ludovicus Mommaerts van het Hof van Overbist.

Op 10.9.1842 koopt vader Franciscus Coeckelberghs 2ha 83a 63ca land op de Kareeloven en in de Groebbestraat te Korbeek-Dijle voor de prijs van 9.650 fr.  Prijs per ha: 3.402 fr.

De verkoper is Edouard de Salomon de Friedberg, zoon van Wilhelmina Goubau, een nicht van Julia Goubau.

Uit deze twee verkopen blijkt nog maar eens dat de Goubau’s veel eigendommen hadden verworven in Korbeek-Dijle, zowel vóór als na de Franse Revolutie.

De Goubau’s waren eigenaar van het kasteel van Korbeek-Dijle (gebouwd rond 1750), van het huis waar nu Nicole Honnorez en Luc Cambier wonen (gebouwd op het einde van de jaren 1700) en waarschijnlijk ook van de Voorburg (gebouwd in 1738). Op 11.7.1808 kocht Ambrosius Goubau als “zwart goed” (kerkelijk goed aangeslagen door de Fransen na de Franse Revolutie) het Hof van Luezenborg samen met 31ha 13a land voor de prijs van 38.000 fr. In 1810 bouwde hij op de plaats van Luezenborg een nieuwe boerderij, Blyenberg.

De verkochte goederen in 1842 maakten geen deel uit van de 31ha 13a van Ambrosius Goubau, wiens eigendommen volledig naar zijn dochter Julia Goubau en de Honnorez’s zijn gegaan.

Op 21.5.1848 overlijdt vader Franciscus Coeckelberghs en op 14.5.1850 zijn vrouw Maria Catharina Vandenbosch.

Op 30.12.1850 kopen Josephus Coeckelberghs en zijn zus Joanna Maria, ieder voor de helft, 21a 80ca gelegen in het dorp te Korbeek-Dijle voor de prijs van 800 fr. Prijs per ha: 3.670 fr. Verkoopster is Francisca Coeckelberghs (°1771), weduwe van Guilielmus Van Kildonck, een tante van Josephus en Joanna Maria Coeckelberghs. Er was nóg een zus van hun vader, Clara Coeckelberghs (°1777) die getrouwd was met Henricus Van Der Stappen uit Leefdaal.

Op 29.8.1853 koopt Josephus Coeckelberghs 70a 81ca land in het Overhoutveld voor 3.764 fr. Prijs per ha: 5.316 fr, een sterke stijging van de prijs ten opzichte van de vorige kopen in 1842 en 1850.

Opvallende bepaling uit deze en andere aankoopaktes: “De betaling zal moeten gebeuren in metallieke geldspeciën in dit rijk gangbaar en geenszins in biljetten of papieren munten binnen de twee dagen na de verkoping in de handen en ten kantore van de ondergetekende notaris, Zwaluwstraat 12 te Brussel.”

Op 13.6.1856 verdelen Josephus Coeckelberghs en zijn zus Joanna Maria, echtgenote van Franciscus Goovaerts (stamvader “Volles”) de roerende goederen (meubelen, akkerbouwgerief, beesten, granen op zolder en te velde, beddegoed, kleedsel en lijnwaad) en de schulden van hun ouders:

– roerende goederen ter waarde van: 8.701,50 fr

– schulden ten belope van: 4.866,56 fr waarvan 2.304,06 fr toekomt aan de twee kinderen van Josephus uit zijn eerste huwelijk.

Als zuiver actief blijft er over: 8.701,50 – 4.866,56 = 3.834,94 fr, of 1.917,47 fr voor elk van beiden. Josephus krijgt daarenboven de 2.304,06 fr toekomende aan zijn genoemde kinderen. De afrekening gebeurt in geldspeciën of materialen.

 Op 17.2.1862 verdelen Hermanus Bruffaerts en Maria Ludovica Haine hun onroerend goed onder hun kinderen: Franciscus Bruffaerts, Maria Theresia Bruffaerts (de tweede echtgenote van Josephus Coeckelberghs) en Anna Maria Bruffaerts (echtgenote van Philippus Penninckx). Philippus Penninckx (1804-1876) woonde met zijn groot gezin op de plaats waar Ciske Sik (alias den Baron) gewoond heeft plus de plaats waar nu Pol Vanderveken woont plus de erachter liggende gronden tot tegen de Nijvelsebaan.

Het onroerend goed van de Bruffaerts’en bestond uit een huis met schuur, stallen en andere aanhorigheden op een perceel van 58a 41ca gelegen langs de Nijvelsebaan tussen de Hollestraat en de Twee Kantjesstraat.

Franciscus krijgt de boerderij op een perceel van 20a 80ca op de hoek van de Hollestraat en de Nijvelsebaan, Anna Maria een perceel land erachter parallel met de Nijvelsebaan van 19a 80ca en Maria Theresia een perceel land langs de Nijvelsebaan tot tegen de Twee Kantjesstraat van 17a 80ca. Franciscus moet aan elk van zijn zussen 500 fr opgeld betalen.

De drie partijen verklaren voorafgaandelijk gedeeld te hebben meubelen, beesten, granen en gelden van de nalatenschap.

Op 2.6.1876 verkoopt Maria Theresia Bruffaerts, echtgenote van Josephus Coeckelberghs, aan haar broer Franciscus 3a 24ca van het land dat zij bekomen had bij de verdeling van 17.2.1862, voor de prijs van 200 fr. Prijs per ha: 6.173 fr.

Op 13.7.1877 sluit Josephus Coeckelberghs een huurovereenkomst met Augustus Carolus Baron d’Overschie, grondeigenaar wonende te Brussel in de Zinnerstraat nr 2, voor het huren van 7ha 28a 60ca land gelegen onder Leefdaal, voor 9 jaar, van 30 november 1877 tot 30 november 1886, voor de prijs van 800 fr per jaar. Pachtprijs per ha: 109,80 fr. Gerekend aan ongeveer 5.000 fr koopprijs per ha gaf de pachtprijs dus een rendement van ongeveer 2 %. Geen bijzonder hoog rendement, wat verklaart waarom veel grondeigenaars toen overstapten naar industriële beleggingen.

Op 25.4.1881 overlijdt Josephus Coeckelberghs.

Op 11.6.1883 is er de deling tussen Maria Theresia Bruffaerts, weduwe van Josephus Coeckelberghs, en de acht kinderen van Josephus: twee uit zijn eerste huwelijk en zes uit zijn tweede huwelijk, het voorkind van Maria Theresia inbegrepen.

De massa der goederen afhangende van de gemeenschap beliep 5ha 35a 04ca met een waarde van 29.170 fr of 5.452 fr per ha. De helft komt toe aan Maria Theresia Bruffaerts, de andere helft aan de acht kinderen.

De massa der goederen voortkomende van de persoonlijke nalatenschap van Josephus Coeckelberghs was:

– een hoeve op 64a 38ca ter waarde van 8.166 fr (aan de prijs per ha hierna moet de hoeve zelf geschat zijn op 4.500 fr)

– 1ha 82a 05ca land ter waarde van 10.365 fr of 5.693 fr per ha.

Maria Theresia erft: 29.170/2 =14.585 fr.

Elk der acht kinderen erven: (29.170/2 + 8.166 + 10.365)/8  = 4.139,50 fr.

In 1886 is er de hernieuwing van de huurovereenkomst van 13.7.1877 voor de periode van 30 november 1886 tot 31 december 1895. De ondertekenaars zijn nu:

– voor Coeckelberghs: de oudste zoon van Josephus, Joannes Franciscus Coeckelberghs (in feite het voorkind van Maria Theresia Bruffaerts)

– voor d’Overschie: de erfgenamen van Augustus Carolus baron d’Overschie, nl. de juffrouwen baronessen d’Overschie verblijvende te Grimbergen.

De oppervlakte is nu 1 ha minder (6ha 28a 60ca) en de jaarlijkse pachtprijs is 100 fr lager, nl. 700 fr.

Op 10.9.1888 koopt zoon Theophiel Coeckelberghs uit de nalatenschap van zijn tante Anna Maria Bruffaerts, weduwe van Philippus Penninckx:

– voor Maria Theresia Bruffaerts, zijn moeder, 14a 35 ca land voor 700 fr. Prijs per ha: 4.878 fr

– voor Joannes Franciscus Bruffaerts, zijn oom, 6a land voor 300 fr. Prijs per ha: 5.000 fr.

Op 25.12.1895 overlijdt Maria Theresia Bruffaerts.

In de herfst van 1897 overlijdt de jongste zoon van Josephus Coeckelberghs, Carolus, door een val uit een appelboom. Hij was 40 jaar en ongehuwd.

2 . Het oud Korbeeks boerengeslacht Mommaerts

In de jaren 1600 en 1700 waren de Van Kildonck’s, de Boogaerts’en en vooral de Mommaerts’en de toonaangevende boerengeslachten in Korbeek-Dijle. De Mommaerts’en hebben het nog volgehouden tot in de jaren 1800 en 1900.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 22.10.1830 werd Franciscus Ludovicus Mommaerts (1768-1844) verkozen tot schepen onder burgemeester Carolus De Coster (burgemeester van 1830 tot 1836).

Op 31.10.1835 huwde Carolus De Coster met Maria Theresia Mommaerts, een dochter van Franciscus Ludovicus.

In 1836 kwam er voor beiden een einde aan hun mandaat als burgemeester en schepen.

Op de gemeenteraad van 28.2.1837 werd Franciscus Ludovicus herbenoemd tot lid van het Bureel van Weldadigheid. Hij was er lid van sinds 1819 en bleef lid tot aan zijn dood in 1844.

Een hoogtepunt in de evolutie van de Mommaerts’en was de aankoop door Franciscus Ludovicus en zijn vrouw Maria Elisabeth Decoster (1778-1846) injuni 1839van het Hof van Overbist aan de Veeweide, samen met de omringende grond tot tegen de Putstraat en een perceel land in de Lazendel, in totaal 4ha 31a 04ca, voor de prijs van 15.000 fr. Zij kochten dat alles van hun schoonzoon Carolus De Coster (1800-1841).

Franciscus Ludovicus Mommaerts was nu eigenaar van zijn boerderij wat zijn voorvaderen niet konden zeggen. Zij waren pachters van hun hoeve. Ook Franciscus Ludovicus was nog pachter geweest van het Hof van Luezenborg-Blyenberg.

Luezenborg was in 1810 afgebroken door Ambrosius Goubau en vervangen door de hoeve Blyenberg.

De ouders van Franciscus Ludovicus, ook pachters van Luezenborg, Petrus Mommaerts (1730-1779) en Catharina Elisabeth Coeckelberghs (1732/+ na 1797) waren het eerste koppel Mommaerts-Coeckelberghs in Korbeek-Dijle. Catharina Elisabeth was de zus van Engelbert Coeckelberghs, grootvader van Josephus Coeckelberghs. Zij kwamen van het Hof van Rotspoel in Egenhoven.

Nadien volgden nog Josephus Coeckelberghs in zijn eerste huwelijk met Maria Catharina Mommaerts, de oudste dochter van Franciscus Ludovicus, en nog later Josephus Mommaerts met Mathilde Coeckelberghs, dochter van Josephus.

Op 15.3.1844 overleed Franciscus Ludovicus Mommaerts en op 24.12.1846 zijn vrouw Maria Elisabeth Decoster.

Op 3.3.1851 werden hun onroerende goederen verdeeld onder hun 8 overlevende kinderen en de twee kinderen van hun overleden dochter:

1 . Philippus Mommaerts (Fluppes), landbouwer en herbergier te Korbeek-Dijle, vader van de latere burgemeester van Korbeek-Dijle, Soeë va Fluppes. Hij bouwde rond 1840 het huis waar nu Erik De Smedt en Sabine Cocquyt wonen.

2 . Joannes Franciscus Mommaerts (Jan Cisses), landbouwer te Korbeek-Dijle, vader van Jef va Jan Cisses (x Mathilde Coeckelberghs). Jan Cisses had zijn boerderij op de hoek van de Nijvelsebaan en de Kleinebroekstraat.

3 . Josephus Franciscus Mommaerts, landbouwer te Korbeek-Dijle

4 . Joannes Baptiste Mommaerts, landbouwer te Bertem

5 . Maria Theresia Mommaerts, weduwe van Carolus De Coster, landbouwster te Korbeek-Dijle, oprichtster van het kapelletje aan de Veeweide

6 . Joannes Albertus Mommaerts, landbouwer te Korbeek-Dijle, stamvader van de kantonniers Mommaerts en de Maginelle’s

7 . Maria Coleta Mommaerts, weduwe van koster Guilielmus Antonius Cappuyns, landbouwster te Korbeek-Dijle. Zij en haar man bouwden rond 1840 het huis waar nu Dirk Van Laer en Carine Lafortune wonen.

8 . Carolus Mommaerts, landbouwer te Korbeek-Dijle, medeuitbater met zijn zus Maria Theresia van het Hof van Overbist

9 . Josephus Coeckelberghs, weduwnaar van Maria Catharina Mommaerts, landbouwer te Korbeek-Dijle, handelend als vader en wettige voogd van Maria Elisabeth en Maria Apollonia Coeckelberghs, zijn twee enige en nog minderjarige kinderen uit dit huwelijk.

Er werden ongeveer 20 ha land plus een boerderij verdeeld onder 9 kinderen voor een totale waarde van 84.409 fr, waarbij elk kind een waarde erfde van 9.378,77 fr. Alle erfgenamen staan opgegeven als landbouwer of landbouwster. Zo werden mooie landbouwbedrijven totaal versnipperd.

Op 24.11.1862 gaan Joannes Franciscus Mommaerts (Jan Cisses) en zijn zus Maria Theresia een lening aan op 10 jaar van 3.000 fr van een particulier in Leuven voor notaris Vanorshoven in Tervuren “in geldmunten, hier geteld en waarlijk afgegeven”, ieder voor de helft, aan 5 % ’s jaars. Zij gaven elk een perceel land van respectievelijk ongeveer 1 ha en ongeveer 74 a in onderpand. Mogelijk kochten zij met het geld eigendommen van één van hun broers of zus Maria Coleta om het familiebezit te vrijwaren.

Op 1.12.1873 sluit Joannes Franciscus Mommaerts (Jan Cisses) een huurovereenkomst (het jachtrecht niet inbegrepen) met Guilielmus Vancampenhout, koopman in gist te Charleroi voor een termijn van 12 jaar vanaf 30.11.1873 tot 30.11.1885, voor twee percelen, samen 1ha 82a 23 ca, voor de jaarlijkse pachtprijs van 250 fr in gangbare gouden of zilveren munten. Pachtprijs per ha: 137,19 fr.

Op 30.5.1885 wordt de nalatenschap van Joannes Franciscus Mommaerts en zijn vrouw Maria Catharina Vermeulen verdeeld onder hun kinderen:

  • Coletta (1848-1891)
  • Josephus (1850-1931)
  • Philippus (1852/ + vóór 1888)
  • Angelica (1857-1890)
  • Maria (1861-1893)

toen allen ongetrouwd, landbouwers en samenwonende te Korbeek-Dijle.

De nalatenschap omvatte:

  • onroerende goederen: 2ha 77a 65ca + een huis met aanhorigheden, samen geschat op 13.122 fr. Voor ieder kind: 2.624,40 fr.
  • roerende goederen: vee, paarden, meubels, landbouwgetuig, graan en vruchten op het veld, geschat op: 6.278 fr, min een passieve massa van 8.057,58 fr geeft een negatief saldo van -1.779,58 fr of -355,92 fr per kind.

Op 3.6.1885 schreef Coletta Mommaerts haar testament te Korbeek-Dijle, en dat wordt geregistreerd op 25.3.1891, elf dagen na haar dood op 14.3.1891. Zij geeft al wat zij op hare sterfdag zal nalaten aan haar broers Philippus en Josephus en haar zus Maria en aan de langstlevende onder hen indien er één of meerdere voor haar zouden sterven.

Op 27.4.1900 is er de deling tussen Jozef Mommaerts, Jan Baptist Sterckx (weduwnaar van Angelica Mommaerts), handelende als vader en wettige voogd van Frans en Maria Sterckx, en Jozef Van Geel (weduwnaar van Maria Mommaerts), handelende zo in eigen naam dan als vader en wettige voogd van Herman Van Geel.

De te verdelen goederen zijn:-1ha land in het Overhoutveld

-89a land in de Pompdelle

De verdeling gebeurt als volgt:

– Jozef Mommaerts krijgt:    -74a 72ca in het Overhoutveld

-35a 44ca in de Pompdelle

– Jozef Van Geel krijgt:     -25a 28ca in het Overhoutveld

-21a 97ca in de Pompdelle

– Frans en Maria Sterckx krijgen (ieder voor de helft): 31a 59 ca in de Pompdelle.

De reeds versnipperde goederen van het Hof van Overbist worden nog maar eens versnipperd.

De Mommaerts’en in de politiek

Zoals we reeds schreven was Franciscus Ludovicus Mommaerts (1768-1844) schepen van 1830 tot 1836 onder burgemeester Carolus De Coster. Hij was lid van het Bureel van Weldadigheid van 1819 tot aan zijn dood in 1844.

Bij de verkiezingen van 1839 wordt zijn zoon Joannes Franciscus (Jan Cisses) (1808-1885) tot gemeenteraadslid verkozen. Hij blijft het tot 1860. Op 2.12.1846 wordt hij ook lid van het Bureel van Weldadigheid. Na de verkiezingen van 10.10.1857 wordt Jan Cisses schepen, naast Jef Coeckelberghs, onder burgemeester Remi Prosper Honnorez.

Vanaf begin 1860 blijft Jan Cisses afwezig op de gemeenteraad. Wegens ziekte? Hij overlijdt nochtans pas in 1885.

Na de verkiezingen van 1860 komt zijn broer Philippus (Fluppes) (1804-1869) in zijn plaats als raadslid en schepen en ook als lid van het Bureel van Weldadigheid.

Na de verkiezingen van 1869 komt Joannes Franciscus Mommaerts (Soeë va Fluppes) (1839-1910) als schepen in de plaats van zijn vader die overlijdt op 19.10.1869. Hij neemt ook diens plaats in in het Bureel van Weldadigheid.

Na de verkiezingen van 1872, toen Joseph Honnorez burgemeester werd, bleef Soeë va Fluppes schepen.

Na de verkiezingen van 1881 degradeerde Soeë va Fluppes tot gewoon gemeenteraadslid.

Na het ontslag van burgemeester Joseph Honnorez eind 1883 wordt Soeë va Fluppes opnieuw schepen vanaf 24.2.1884. Vanaf 31.8.1884 treedt hij op als burgemeester en op 22.12.1884 wordt hij benoemd tot burgemeester. Hij overlijdt op 15.3.1910, na ruim 25 jaar burgemeesterschap.

De boer op het Hof van Coeckelberghs in het begin van de jaren 1900, Jozef Mommaerts (Jef va Jan Cisses) (1850-1931) had een neus voor zaken doen in de landbouwwereld. Op 28.11.1905 geeft de gemeenteraad een gunstig gevolg aan zijn vraag voor “het oprichten van eenen graanvuurmolen met moteur van 15 paardenkracht gestookt bij middel van petrololie”, in een gebouw palende aan zijn huis, om het graan van de inwoners te malen.

Na de verkiezingen van 20.10.1907 doet Jozef Mommaerts (Jef va Jan Cisses) daarenboven zijn intrede in de gemeenteraad en hij wordt meteen verkozen tot schepen.

Op 15.3.1910 overlijdt burgemeester Joannes Franciscus Mommaerts (Soeë va Fluppes). Schepen Engelbert De Greef (den Ingel) treedt dan op als dienstdoende burgemeester en vanaf 12.5.1910 als officieel benoemde. Schepen Jozef Mommaerts wordt aangeduid om de functies van ambtenaar van de burgerlijke stand te vervullen. Hij doet dit van april 1910 tot eind 1919. Hij was ook lid van het Bureel van Weldadigheid.

Na het overlijden van burgemeester Engelbert De Greef wordt Jozef Mommaerts burgemeester benoemd op 15.11.1919 en hij blijft het tot 19.7.1921. Daarna wordt hij gewoon gemeenteraadslid en op 25.10.1925 opnieuw schepen, wat hij blijft tot aan zijn dood op 12.6.1931.

Zijn zoon Louis Mommaerts (1892-1977) wordt gemeenteraadslid van 23.2.1936 tot eind 1938. En daarmee stopten de politieke activiteiten van de Mommaerts’en.

Louis Mommaerts (de Pachter va Coeckelberghs) was ook de laatste landbouwer van het geslacht Mommaerts in Korbeek-Dijle.

 

Cyriel Letellier

Missiewerking Bertem

Na 28 jaar Missiewerking, gedragen door onze jaarlijkse MISSIEMAALTIJD, hebben we begin dit jaar 2.000 euro kunnen verdelen over onze vijf missieprojecten:

  • Zuster Marleen Renders (Zusters van ‘De Jacht’)    Steun aan het kwaliteitsonderwijs in GUATEMALA.
  • Pater Dries Fransen (Witte paters)   Diverse uiteenlopende projecten over gans AFRIKA.
  • Pater Xavier Lakra (Jesuïeten)   Onderwijs, drinkbaar water en zelfhulpgroepen in INDIA.
  • Pater Eric Meert (Salesianen)  Opvang van verstoten kinderen in Lubumbashi / CONGO.
  • Socofas (vzw voor medische hulp)   Operationeel houden van een dispensarium in KENIA.

Deze steun werd mogelijk gemaakt, met onze dank aan:

  • de vele vrijwilligers bij ronddragen van folders
  • de moedige bedienaars aan de tafels
  • de noeste werkers in de keuken
  • de toegewijde helpende handen
  • de trouwe culinaire bezoekers . . . . .

Ook in naam van de medewerkers uit onze projecten hartelijk dank aan de vele sympathisanten.

Uw gift is nog steeds welkom op rekening nr: BE51.0351.2409.4262 op naam van Missiewerking-Bertem